Bachs wereldlijke cantate Was mir behagt, ist nur die muntre Jagd BWV 208, is een gelegenheidscantate bij de 31e verjaardag van de toenmalige hertog van Sachsen-Weidenfels. Als geheel is het een sprankelend stuk, feestelijk en onderhoudend. De tekst is een lofprijzing van de jarige (‘Ruft Vivat itzt zu! Es lebe der Herzog in Segen und Ruh!’) en biedt dan ook maar weinig gelegenheid tot diep doorvoelde poëzie of dito muziek.

Echter, ongeveer halverwege de cantate staan dan opeens twee schitterende regeltjes, die Bach inspireren tot één van zijn mooiste aria’s: ‘Schafe können sicher weiden / Wo ein guter Hirte wacht’ (Schapen kunnen veilig grazen / waar een goede herder waakt).

De grens tussen seculiere muziek (in dit geval het eren van het goede bestuur van de hertog) en sacrale muziek (verwijzing naar de Goede Herder) vervalt. Prachtig vind ik de twee blokfluiten, die de zachtmoedigheid van de verbeelde schapenkudde oproepen, en de lyrische, langgerekte melodielijn van de sopraan. Tussen alle feestmuziek van deze cantate treden we hier opeens een totaal andere wereld binnen; ik vind dit eigenlijk geen feestmuziek, maar vertroostende muziek bij uitstek.

In de onderstaande link, naar een al wat oudere, Oostduitse opname, wordt de aria subliem gezongen door de sopraan Arleen Augér, begeleid door het Kammerorchester Berlin, onder leiding van de onvolprezen Peter Schreier.

Wolter Mooi