Liturgie is gedenken (we herinneren ons de daden van God), onderscheiden (we proberen onze tijd en onze wereld te zien in het licht van het Evangelie) en anticiperen (we verwachten en lopen vooruit op Gods nieuwe wereld). In elke dienst zijn die drie elementen, gedenken, onderscheiden en anticiperen aanwezig. Maar door het kerkelijk jaar heen doen we dat vanuit verschillende perspectieven.

In het gebed van de zondag waarin we om bezielende woorden en beelden vragen bij het lezen en uitleggen van de Bijbel. Daarin komt vaak al iets van de speciale ‘kleur’ van de zondag of het thema van de Schriftlezing voor.

Bij advent ligt de nadruk op het verwachten van de komst van de Messias. Na het kerstfeest zien we hoe Jezus op het toneel van de wereld verschijnt.

In de veertigdagentijd voor Pasen leven we toe naar het lijden en sterven en de opstanding van Jezus. De veertigdagentijd is vanouds ook de tijd dat nieuwe kerkleden zich verdiepten in het geloof in Jezus Christus om in de paasnacht gedoopt te worden. In de paasnacht wordt het licht van de nieuwe paaskaars ontstoken. Na Pasen leren we omgaan met de ‘andere’ aanwezigheid van Jezus, na zijn opstanding.

Met Pinksteren vieren we de komst van de Geest van God, die nieuwe inspiratie geeft voor leven en geloven.

De afsluiting van het kerkelijk jaar begint met Allerheiligen waarbij we de overledenen gedenken.

Op de laatste zondagen van het kerkelijk jaar gaan de Bijbellezingen over de vraag waar het met de geschiedenis naartoe gaat (voleinding).