Exodus 2, 1 – 10 en Mt. 5, 17 – 26                                            RBK, 16 februari 2020

Thema:

Vrouwen doorbreken vijandsbeelden over en weer; Mozes kan naam maken.

Met de kinderen

 

Lied 167

 

Inleiding op de lezingen

Vandaag is de zesde zondag na Epifanie.

Epifanie is de tijd waarin Jezus op het toneel van de wereld verschijnt, het begin van zijn ‘optreden’.

Jezus wordt gedoopt, hij roept discipelen, volgers, en hij legt het programma van zijn koninkrijk uit in de Bergrede.

Vandaag lezen we daar ook weer een paar verzen uit.

 

Ondertussen zijn we op de kalender van het kerkelijk jaar ook alweer aan een nieuwe periode begonnen.

Over anderhalve week is het Aswoensdag, dan begint de veertigdagentijd voor Pasen. En dan nog vijftig dagen, dan is het Pinksteren.

In de oude kerk werd ook wel gerekend met een periode van 70 dagen voor Pasen

Bij die traditie sluit het leesrooster dat wij in de PGO volgen aan.

Vorige week zondag zijn we begonnen met te lezen uit het Bijbelboek Exodus.

Daar gaan we mee door tot op Pinksteren, 70 plus 50 dagen lang.

Bijna elke week een stukje uit het Bijbelboek Exodus.

 

Exodus betekent uittocht.

Vorige week heb ik gezegd dat wij vandaag daarvoor waarschijnlijk het woord Blexit zouden gebruiken; blijde uittocht.

 

Het is het oerverhaal van het volk Israël dat door God bevrijd wordt uit Egypte.

Weg uit Egypte, uit het land van de slavernij, de dwang, de angst.

Bevrijding, Blexit.

En daarmee is het ook een oerverhaal voor mensen die geloven.

Godsdienst, religie, is ten diepste bedoeld voor iedereen die bevrijd wil worden van alles wat benauwd maakt.

Na de uittocht volgt een tocht door de woestijn.

Over hoe je een ‘naar’ of heftig verleden los leert laten en toegroeit naar een nieuwe toekomst, het beloofde land.

 

Exodus.

In de oorspronkelijke taal, het Hebreeuws, heet het boek: Sjemoth.

Namen.

Van mensen!

God ziet mensen en maakt hen vrij.

We lezen vandaag uit hoofdstuk 2.

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

 

1.

Het boek Exodus, blexit, gaat dus over de blijde uittocht, de bevrijding uit Egypte en de tocht naar een nieuwe toekomst in het beloofde land.

Vorige week vroeg ik: waar begint zo’n bevrijdingsverhaal mee?

Met een leider zouden wij zeggen, een vrijheidsstrijder, een voorvechter die opkomt voor wie murw gebeukt zijn.

Een Mozes dus, of een Ghandi, een Martin Luther King of een Nelson Mandela.

Maar in Exodus gaan twee vrouwen voor Mozes uit.

De vroedvrouwen Sifra en Pua brengen vanwege hun vertrouwen op God de morele moed op om zich tegen de verschrikkelijke opdrachten van de dictator Farao te verzetten.

De vroedvrouwen worden de moeders van de burgerlijke ongehoorzaamheid.

Deze wereldvrouwen schreven een deel van een enorm belangrijk hoofdstuk van de wereldgeschiedenis: het hoofdstuk van de morele moed, van de hoop en het verzet, het begin van iedere bevrijding.

 

2.

Maar dan nu: de geboorte van de grote leider van de uittocht: Mozes.

Het boek Exodus heet in het Hebreeuws Sjemoth: Namen.

Naar de eerste zin van het boek: En dit zijn de namen…

Maar op één naam valt wel heel nadrukkelijk de aandacht: op de naam Mozes.

De naam van Mozes is belangrijk geworden binnen het Jodendom.

De eerste boeken van de Bijbel, de Thora, dragen zijn naam: de vijf boeken van Mozes.

En hoewel de naam Mo, van Mohammed, tegenwoordig waarschijnlijk vaker voorkomt in Amsterdam dan de naam Moos, kent u vast nog wel de boekjes van Max Tailleur met joodse humor, de moppen over Sam en Moos, Bram en Saar.

Of het nou Amsterdamse humor was of Joodse humor: de moppen gingen over Moos.

Komt Moos bij de dokter en zegt dat hij zo’n last heeft van vergeetachtigheid.

Vraagt de dokter: hoe lang hebt u daar al last van?

Zegt Moos; waarvan dokter?

 

3.

Het geboorteverhaal van Mozes is een prachtig verhaal.

Ik denk dat het behoort tot de top tien van de meest gelezen verhalen uit de kinderbijbel.

Mozes in het biezenmandje is een begrip geworden, een mooi lief kindje dat gered wordt door een Egyptische prinses.

Wie heeft er niet ooit een mooie kleurplaat van gemaakt?

Ook dit verhaal hebben we in een bibliodramagroep samen verkend en uitgediept.

Dat hielp mij weer bij de voorbereiding van de dienst van vandaag.

 

Er vielen ons twee bijzonderheden op.

Het eerste was dat het hele verhaal zo strak gericht is de laatste zin, op de naamgeving van Mozes

In het hele verhaal over zijn geboorte wordt geen enkele andere naam genoemd.

Het lijkt zelfs wel alsof hij het eerste kind is dat geboren wordt uit het huwelijk van de man en de vrouw uit de stam van Levi.

Dat was niet zo, want hij had al een oudere zus en er was ook nog een drie jaar ouder broertje.

Verderop in het boek Exodus lezen we dat de man uit de stam Levi over wie het gaat, Amram heette en dat hij trouwde met de zus van zijn vader, Jochebed.

Dat zijn oudste zus Mirjam heette en zijn oudere broertje Aäron.

Zijn zus en broer krijgen later in het verhaal ook belangrijke rollen te vervullen.

Maar hier hebben ze geen naam, de zus en de broer niet, de vader en de moeder niet, en de dochter van de farao heeft ook al geen naam.

Alle aandacht wordt getrokken naar de naam die aan het eind van het verhaal klinkt: Mozes!

Wat zit er onder de oppervlakte van dit bijzondere verhaal?

 

4.

Om daarachter te komen moeten we eerst kijken naar het tweede wat ons opviel.

En dat is; hoe strak en droog het verhaal verteld wordt.

Terwijl de gebeurtenissen zelf toch bol moeten hebben gestaan van de emoties.

Hoe is dat gegaan in huize Amram en Jochebed.

Zouden ze blij geweest zijn met de nieuwe zwangerschap?

Ze hadden al twee kinderen.

En dan nog een derde, in die tijd van onderdrukking?

En als het dan ook nog eens een jongetje zou zijn…

Kun je dan wel blij zijn met zo’n zwangerschap?

Die zou verdronken moeten worden in de Nijl…

Hoe spannend is dat geweest voor die man en die vrouw, voor dat gezin?

Maar we lezen alleen maar dat de moeder zag dat de zoon die ze ter wereld had gebracht een mooi kind was.

Een goed, een tof kind, staat er letterlijk.

Zoals God na elke scheppingsdag in Genesis 1 zag dat het goed, dat het tof was, wat Hij geschapen had. Aan alle kanten gaaf.

En dan maakt die moeder na drie maanden een biezenmandje.

Letterlijk staat er het woord ‘ark’ zoals van Noach, alsof ze God met dat dobberende arkje, daar tussen het riet, straks wil herinneren aan die grote ark waarin Hij ooit het leven redde van de totale ondergang.

Ze maakt het kistje waterdicht met pek en teer, het materiaal waarmee de toren van Babel werd gebouwd en de steden waar de Israëlieten slavenarbeid verrichtten.

‘Here God weet u toch nog wel van Noach en uw belofte bij de regenboog?’… zo drijft dat kistje daar.

“Here God en ziet toch wel dat wij onderdrukt en vernederd worden, u verstaat de symbooltaal van pek en teer toch wel?

U vergeet uw mensen in onderdrukking een slavernij toch niet?

Wat een enorm getuigenis is dat kleine arkje en wat een enorm appel op de God die ze uit de verhalen van haar volk kende.

Wat een indrukwekkende vrouw zien we hier in stilte maar zo uitgesproken aan het werk…

En straks gaat ze een nog groter geloofsgetuigenis neerzetten.

 

5.

Eerst nog die andere vrouw zonder naam, de dochter van de farao.

Je zal maar uit zo’n nest komen, dochter van een wrede heerser, met alle luxe die de elite van zo’n op slavernij en uitbuiting gebouwde samenleving kan genieten.

Ze gaat baden en vindt het arkje, het biezenmandje tussen het riet.

Ze laat haar slavinnen het mandje ophalen.

Je bent niet voor niets de dochter van de farao…

Maar dan, als het arkje opengaat, dan breekt haar harde buitenkant, ze krijgt medelijden met het huilende kind.

De verwarring die dat bij haar oproept, stel je die eens voor…

En dan zegt ze: dat moet een Hebreeuws kind zijn.

Ze is niet zo onnozel dat ze geen besef heeft van de gruwelen die haar vader pleegt.

Maar nu laat ze zich er ook door raken.

Ze wordt door het huilen geraakt.

De rabbijnen, de Joodse Bijbeluitleggers, suggereren zelfs dat ze in het huilen van dit kind het lijden van de Hebreeuwse slaven hoort.

En dan sluit ze zich niet af maar ze laat het medelijden toe.

Daarmee begint bij haar het doorbeken van een vijandbeeld.

Ze laat haar houding en optreden niet bepalen door het nepnieuws dat door de populistische geruchtenmachine van haar vader en zijn trawanten over deze Hebreeuwse mensen is verspreid.

Ze ziet niet een kind van de vijand.

Ze ziet een mensenkind.

 

6.

Daarbij wordt ze geholpen door de zus van het kind.

Dat is, naast die moeder en de prinses de derde heldin die aan het begin van het leven van Mozes om hem heen gaan staan, de derde heldin die meewerkt van de redding van de toekomstige bevrijder van het volk Israël.

Wat een moed had die zus.

Ze was weliswaar op haar post gezet door haar moeder, en ze moet iets mee gekregen hebben van het geloof en de moed van haar moeder, of van de liefde voor dat jochie, haar broertje.

Maar wat ze doet is ongelofelijk.

Als het erop aankomt, dan stapt ze naar voren.

Ze begeeft zich in het gebied van die prinses.

Ze heeft er blijkbaar geen last van dat dat die dame iemand is uit de directe omgeving van de Farao, de gevreesde tiran, waar je natuurlijk afstand van houdt.

Ze stapt gewoon naar voren, vijandig gebied in, zwaarbeveiligd gebied (wandelende dienaressen… ja ja, hoe zwaar zouden ze vandaag de dag bewapend zijn geweest…) want het zal de prinses niet aan beveiliging hebben ontbroken.

De zus van Mozes doorbreekt ook een vijandsbeeld waarmee zij is opgevoed.

Ze spreekt de prinses aan.

Zal ik een voedster zoeken die dit kind voor u kan voeden?

Dit kind voor u…

Ze laat vertrouwen blijken in de dochter van de grote vijand.

Waar haalt ze het vandaan…?

En van de weeromstuit zegt de prinses; doe dat maar.

 

En dan verschijnt de moeder ook nog, in dat zwaar beveiligde gebied.

Ze onderhandelen en komen tot een akkoord.

Er is een contract, een prijs voor het voeden van het kind.

Niet de dochter van de farao die een slavin beveelt of uitbuit, maar een arbeidscontract met de overeenkomst dat het kind te zijner tijd naar het hof gebracht wordt.

En de moeder doet dat nog ook, als het zover is!

 

7.

Deze drie vrouwen, geconfronteerd met het gruwelijkste wat in de geschiedenis kan gebeuren; moord op kinderen, een poging tot het uitroeien van een heel volk, genocide, laten zich niet gevangenhouden door vijandsbeelden over en weer.

Ze praten met elkaar, er is respect voor elkaar, ze gaan dwars door alle ideologie en gebrul van de farao heen en creëren zo de mogelijkheid om een leven te redden.

Een leven dat door God bedoeld is om een volk te bevrijden, opdat de boodschap van die bevrijding de wereldgeschiedenis in zal gaan als een onverwoestbaar getuigenis van Gods grote daden, die om navolging vragen.

Ze durven elkaars gebied in te gaan, het zusje wacht op de plek waar de prinses komt baden, strikt verboden terrein.

Ze haalt haar moeder, ze praten…

En haar moeder gaat later haar zoon ‘afleveren’ in het paleis, in burcht van de boosaardige farao.

 

Wat een doorbraken!

Alsof we een echo horen van de doorbraken waar Jezus in de Bergrede over spreekt:

Jezus spreekt harde taal in krachtige beelden.

Maar het zal nodig zijn om die doorbraken te forceren.

Laat je niet bepalen door de vijandsbeelden over een ander.

Laat je niet vastzetten in boze gedachten en boze geruchten over je naasten.

Durf het gesprek aan om tot en nieuw begin te komen.

Dat is verzoening.

Raak niet opgesloten in je eigen wereld, je eigen cultuur, je eigen gelijkhebberij.

Dat kan alleen maar uitlopen op geweld.

 

Durf je te begeven in de wereld van de ander, ontdek dat hij of zij ook een mens is.

Voorkom het geweld dat uit vijands-denken voortkomt!

 

8.

Die verhaallijn, onder de oppervlakte van het strakke en droog vertelde verhaal brengt ons bij de betekenis van de naam van Mozes.

 

Die naam, zo belangrijk geworden voor de Joden: vijf boeken van Mozes, Moos en Sam etc.

Die naam blijkt een Egyptische naam.

De dochter van de farao geeft Mozes zijn naam.

Puur Egyptisch, zoals in Raämses, zoon van Ra, of Toetmoses, zoon van Toet.

Hij wordt de bevrijder van zijn volk uit de macht van de vader van de prinses.

Zij, de dochter van de vijand adopteert dit Hebreeuwse kind als zoon.

Mozes, mijn zoon.

Hij wordt kind van de wereld van Egypte.

Maar de Bijbel legt uit dat zijn naam ook een joodse betekenis heeft.

Daarbij wordt verwezen naar een Hebreeuws werkwoord dat uit het water trekken betekent.

Hij is uit het water getrokken.

Of zelfs: hij trekt uit het water.

Hij tilt op, hij bevrijdt.

 

Deze mens, Mozes, met zijn ene naam uit tee wereld zal de bevrijder zijn.

Hij beweegt zich met zijn naam in twee werelden, twee geschiedenissen en wordt zo tot een bevrijder.

Israël met verlost worden uit de slavernij.

En Egypte moet verlost worden van zijn gruwelijke praktijk van onderdrukkende heerschappij.

 

Mozes, man van twee culturen, met twee werelden in zijn naam, zal de bevrijder worden.

 

Waarom doet hi mij aan Jezus denken.

Hij is ook iemand die we kennen van twee werelden; het koninkrijk van God en het koninkrijk van het leven van ons mensen hier op aarde.

 

Jezus heeft het aan God gelijk zijn niet voor zichzelf gehouden, hij bleef niet in de wereld van God alleen, maar is mens geworden, heeft zonder ons gewoond, is aan ons gelijk geworden.

Jezus liet zich niet gevangenhouden in de vijandschap van de mensen die hun koninkrijkjes koste wat het kost willen behouden om zelf heerser te zijn tegenover het koninkrijk van God.

 

Jezus begaf zich in de wereld van zijn tegenstanders en bevrijdde.

Hij bevrijdde mensen die geen naam mogen hebben in deze wereld; zij krijgen zijn naam, worden broeders en zusters.

En Hij bevrijdt mensen die tronen op onrecht en andere mensen niet zien staan en daarom bevrijd moeten worden van hun egoïstische waanzin.

Zo werd Jezus bevrijder van mensen in diverse werelden en brak daarmee muren af.

 

O ja, zijn moeder zong daar ook al van.

Ze zal vast wel eens gehoord hebben van die drie heldinnen in het verhaal over de geboorte van Mozes, die andere man met een naam van twee werelden.

 

Houdt (zulke) vrouwen alstublieft goed in de gaten!

 

Amen.