Gebed van toenadering

Kyriegebed

In een gespannen wereld,

Met kinderen op de grens tussen Mexico en USA, in gevangenissen gescheiden van hun ouders,

Met Euro-top over vluchtelingen

Met kerken op zoek naar elkaar in Geneve (bezoek van de Paus aan de Wereldraad van Kerken die haar 70-ste verjaardag viert)

Met ons als plaatselijke gemeente die zoekt om elkaar vast te houden om onszelf niet te verliezen in wat geen leven is en geen leven bevordert

in wat we zonde noemen…

Zonde van onszelf en zonde van de ander, zonde van het leven,

Omdat het zoveel anders kan en mag…

Roepen wij om ontferming…

Gebed van de zondag

Inleiding op de lezing.

Vandaag houd ik de laatste van een serie van 4 preken over Job.

Dat voelt een beetje gek: ik kom er voor mijn gevoel nu pas een beetje in en er is nog veel meer over het boek Job te zeggen.

Bovendien: ik heb de preken gehouden verspreid over onze twee kerkgebouwen.

Dat is niet optimaal, maar ze komen op de website.

En ze staan op zichzelf.

Wel met een korte samenvatting aan het begin van elke preek, ook straks weer.

Nu gaan we Job 38 lezen.

Dat is poëzie; prachtige, beeldrijke taal.

Nadat Job en zijn vrienden in gesprek zijn geweest, allemaal in de vorm van korte redevoeringen, beelden, spreuken… komt nu God zelf aan het woord.

Job 38: Gesproken en gezongen (door de cantorij, als chant).

Tekst voor de preek uit Job 42 vs 1 – 6 en 7

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

1.

Het grote probleem op de achtergrond van het Bijbelboek Job is de ervaring dat het leven niet eerlijk is.

Het is ongelijk verdeeld in de wereld; armoede en rijkdom, geluk en leed: het is niet eerlijk verdeeld.

De wereld, het leven is onrechtvaardig.

En trouwens: waarom is er al dat leed?

Waar komt het lijden vandaan?

Het hoort niet zo, voor ons gevoel, het is niet goed zoals het is.

En voor wie gelooft worden al deze vragen ook op God geprojecteerd.

God is niet rechtvaardig.

Waarom laat God al dit lijden toe?

En direct daarachteraan komt vaak de vraag; waarom zou ik dan nog geloven?

Als het alleen maar moeilijke vragen oproept in plaats van sluitende antwoorden en liefst ook sluitende oplossingen?

En daarin ligt dan weer de vraag besloten; hoe blijf ik mens?

Hoe kan ik mens blijven te midden van zoveel grote vragen zonder alleen maar kapot te zijn van verdriet, of alleen maar boos op alles en iedereen of de boel de boel te laten uit teleurstelling en onverschilligheid.

 

2.

In het eerste hoofdstuk van Job hebben we welvarende en gelukkige Job leren kennen die op een gegeven moment getroffen werd door ramp na ramp.

De ene jobstijding volgde de andere jobstijding.

Job verloor alles wat zijn leven mooi maakte.

Alsof de duvel er mee speelde…

Zo beleefde Job dat, zo beleven mensen, wij, dat ook als het maar niet ophoudt met de narigheid.

Je hebt het één nog niet gehad of het andere treft je al weer…

Houdt het dan nooit op?

Bij Job wordt het nog scherper neergezet: het is niet alleen alsof de duivel ermee speelt, maar ook alsof Gód ermee speelt.

In een tafereel dat zich afspeelt in de hemel wordt dat neergezet met een karikatuur van God en van de duivel.

Alsof die twee een weddenschap met elkaar afsluiten, die over de rug van de mensen gaat.

Zo scherp wordt het neergezet.

Nu gaat het niet om die weddenschap maar wel om de vraag wat de inzet is van die weddenschap: kan een mens in God geloven zonder te calculeren?

Zonder te vragen: wat levert het mij op of wat verlies ik ermee?

Kan geloven echt alleen uit liefde zijn, je overgeven omdat je niet zonder wilt of kunt, omdat je in die relatie met God wilt leven?

Op elkaar gericht wilt zijn zonder telkens te willen afrekenen?

Leven met het besef dat geloven je kracht geeft om te zijn wie je bent?

God kunnen zijn omdat je met de mensen bent en mens kunnen zijn omdat je met God bent?

Aan het eind van hoofdstuk 1 is het wel heel moeilijk voor Job.

Maar hij kan ze nog zeggen: die grote woorden:

De Here heeft gegeven en de Here heeft genomen, de naam van de Heer zij tóch gezegend.

Het klinkt nog naar rekenen; geven en nemen, maar Job rekent niet af: hij geeft de relatie niet op.

 

3.

In hoofdstuk twee wordt het allemaal nog een graad erger.

Het tafereel in de hemel is scherper; nu gaat ook Jobs gezondheid aangetast worden.

En de relatie met God komt nog meer onder druk te staan als zijn eigen vrouw tegen hem zegt:

Waarom zou je nog proberen een goed mens te zijn.

Zeg God vaarwel en kies voor de dood, laat je leven los.

Job herkent daarin de taal van de satan, van degene die alles in de war wil schoppen.

En omdat hij het herkent als iets van de satan, kan hij overeind blijven.

Hij verweert zich, zij het dat hij dat doet met iets van rekenen; zouden we het goed wel aanvaarden en het kwade niet?

Maar dat zegt hij met zijn laatste krachten, want van binnen groeien de klachten.

Er komen 3 vrienden, die gelukkig zo wijs zijn dat ze zwijgen totdat Job gaat praten.

 

4.

Maar dan…

Dan gaat Job praten en vervloekt de dag dat hij geboren is.

En hij houdt vol dat hij onschuldig is, dit leed niet verdiend heeft, dat dit onrechtvaardig is, van Gods kant vooral, en dat hij het daarom niet kan verkroppen of verdragen.

De vrienden gaan ook praten.

Het zijn goede sprekers; ze zitten niet om woorden of beelden verlegen maar wat ze zeggen is wel hard.

Tenminste: wij vinden dat hard, omdat wij van die taferelen in de hemel weten en weten dat Job inderdaad onschuldig is.

Maar Job en zijn vrienden weten daar niet van.

Dus die zitten met dat grote raadsel van het leed.

En komen dan dus met de antwoorden die mensen zo vaak geven als ze antwoorden zoeken op het raadsel van het lijden.

Ze willen een verklaring geven, het moet kloppen…

Je kinderen zullen wel gezondigd hebben…

Auw…

Je zult zelf wel zondiger zijn dan wij weten; je buitenkant lijkt wel mooi maar hoe zit het aan je binnenkant? Daar zullen we de oorzaak van de ellende wel moeten zoeken, het kan haast niet anders…

Auw…

Je was zo rijk en welvarend; daar zal wel een luchtje aan gezeten hebben.

Er waren nog geen goede journalisten zoals degenen die de Panama-papers over belastingontduiking achterhaalden. Anders hadden ze van Job ook vast wel onrechtmatigheden ontdekt…

Auw…

Nogmaals: wij weten dat het niet klopt.

Job weet het ook, maar die vrienden weten dat niet.

De vrienden redeneren vanuit een soort dogmatische overtuiging die je vaker tegenkomt als het leven maar niet wil ‘kloppen’.

Want het leven moet kloppen.

En met zulke redeneringen klopt het dan tenslotte ook wel, maar dan klopt het als een zwerende vinger…

 

5.

Dan komt hoofdstuk 12: 1 – 4.

Hierop antwoordde Job:

Ja, jullie zijn werkelijk onovertroffen; met jullie zal de wijsheid sterven!

Maar net als jullie heb ik mijn verstand, ik ben niet jullie mindere.

Wie weet dit soort dingen niet?

Een mikpunt van spot ben ik voor mijn vrienden, terwijl ik God aanroep en op zijn antwoord wacht!

Job is cynisch, boos…

Dat maakt de verhoudingen nog scherper.

En Job houdt vol: hij blijft vinden dat God moet rechtspreken.

Gelukkig houdt Job dat vol, want wij weten dat Job inderdaad onschuldig is.

Dat wil het boek Job ook zeggen: we komen er niet mee weg om het kwaad met menselijke redeneringen kloppend te maken.

Die grote vragen krijg je als mensen niet kloppend… die moet je bij God laten…

En dan loopt het vast in hoofdstuk 32:

Hierop wisten de mannen Job niets meer te antwoorden, omdat Job zichzelf als onschuldig bleef beschouwen.

Het gesprek stokt

In hoofdstuk 2 was dat nog pastoraal van karakter.

Hier is het een absolute patstelling.

Ze komen er al redenerend niet uit.

Dan komt Elihu nog, een scherpzinnig theoloog.

Maar ook hij is uit hetzelfde hout gesneden, net nog iets scherper dan de anderen.

Hij zou een goed boek kunnen schrijven.

Maar het verhaal loopt alleen maar meer vast.

En het effect is dat je als lezer nog meer gaat verlangen naar het spreken door God zelf.

 

6.

In hoofdstuk 38 spreekt God dan zelf.

Hij geeft antwoord uit het onweer.

Hier spreekt niet de karikatuur-god die tegen de satan zegt in hoofdstuk 2; jij hebt me zover gekregen dat ik Job laat lijden…

Dat is voorbij.

De satan komt zelfs helemaal niet meer in beeld.

Nee, de God die hier spreekt is God in al zijn macht.

Gods spreken wordt beschreven met prachtige beelden in de vorm van vragen aan Job.

Heeft de regen een vader?

Weet jij waar de voorraadkamers van de sneeuw zijn, en die van de hagel?

Heb jij ooit de morgen ontboden en de dageraad zijn plek gewezen?

Die beelden zijn niet nieuw; Job en zijn vrienden hebben ze ook gebruikt.

Maar tegen die overmacht waarmee God de vragen stelt kan Job niet op.

En in Job 42 zegt Job het ook: hier kan ik niet tegenop.

Hij kan niet op tegen de overmacht van de Schepper.

Misschien wil hij het ook niet meer.

Omdat hij de Schepper herkent als degene die de schepping juist bedoeld heeft als ‘orde maken’.

Scheppen als: orde maken in de chaos die het leven alleen maar kopje onder doet gaan.

Wat gebeurt hier?

Wat gebeurt er met Job?

God zegt: zeg jij het dan Job hoe je de chaos beteugelt en hoe je de schepping op orde krijgt.

Weet jij het dan?

Zeg het dan maar!

Dan zegt Job, hier kan ik niet tegenop.

Tegenover God wordt hij klein; hij buigt en zegt:

Ik herroep mijn woorden.

Geeft Job het op, neemt hij zijn verlies?

Is dat dan geloven, dat een mens klein wordt tegenover een machtige God?

 

7.

Nee, zo werkt het niet.

Net zoals het niet werkte toen Jezus de storm commandeerde om te gaan liggen in Marcus 4.

Als Jezus aan zijn discipelen vraagt; geloven jullie nu nog niet?

Dan is het antwoord eigenlijk: nee, ze gaan niet geloven vanwege het vertoon van macht tegenover het natuurgeweld.

Ze zijn onder de indruk, dat wel, en ze vragen zich af wie Jezus toch wel is dat zelfs de wind en het water hem gehoorzamen, maar ze zijn verder alleen maar geschrokken.

Ze gaan niet spontaan geloven, ze zijn niet onmiddellijk ’in de Here’ zal ik maar zeggen.

Het is wel indrukwekkend maar dat brengt je nog niet tot geloof

Nee, voor Job is het belangrijkste dat de relatie nog bestaat.

Dat God hem nog ziet en met hem spreekt.

Job gelooft niet om wat het hem oplevert of niet.

Hij gelooft omdat hij niet zonder God kan en wil.

Eerder was het nog van ‘horen zeggen’.

Nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd.

Wat Job zegt is: ik heb nu echt contact.

Onder alles door en boven alles uit is de relatie gebleven.

Dat is waar het om draait.

Ondanks alle vragen, zonder dat het rekenen van winst of verlies bepalend wordt, blijft Job geloven.

Die kracht zit in de mens Job.

 

8.

Is het dan klaar; is het boek uit?

Nee want dan zegt God: (Job 42 vers 7)

Ik ben boos op jouw vrienden omdat ze niet juist over mij gesproken hebben.

Zij probeerden om alles kloppend te krijgen en dan kom je er niet.

Maar Job is rechtvaardig; heeft volgehouden om naar mij te blijven vragen.

Hij bleef een appel op mij doen, hij bleef op mijn deur, op mijn hart bonzen.

Niet met rekenen maar om de relatie met mij.

Om niet, uit liefde, uit genade!

Wonderlijk dat dat kan!

Geloven is niet de zekerheid dat alles klopt.

Geloven is leven met de onzekerheid over hoe het precies zit, maar daarbij God niet los willen laten.

Omdat je ten diepste beseft dat alleen Hij jou vast kan houden.

En dan God houden aan wat hij is: de Schepper.

Dat is de bedoeling van al die grootste beelden en indrukwekkende vragen.

Dat God wil zeggen: ik ben degene die in de chaos ruimte wil maken om te kunnen leven.

Daar mag je me aan houden!

 

8.

God geeft Job het dubbele terug.

Niet als troost, dat kan niet… verdriet om mensen die er niet meer zijn blijft…

En ook niet om maar van Job af te zijn: hier heb je dubbel terug en nu wil ik je niet meer horen…

Nee, in het Midden-Oosten, in de wereld van de Bijbel, betekent dubbel teruggeven dat je je ongelijk erkent.

En is het dus veroordeling.

God veroordeelt zichzelf.

De mens Job gaat vrij uit!

Jij, mens, hebt volgehouden en staat in je recht.

Jij hebt van mij gehouden, jij hebt de relatie niet opgegeven.

En wat er gebeurd is had niet zo gemoeten.

Want waarom zou je het in godsnaam volhouden.

Nou alleen maar in of vanwege Gods naam.

Vanwege God die zegt: Ik had het zover niet mogen laten komen.

God verklaart zichzelf schuldig.

Dat is heftig; wij zijn niet gewend om zo over God te spreken…

Of toch wel.

Als we in het christelijk geloof spreken over Christus die aan het kruis alle schuld wegdraagt…

Dan zijn we in die gedachtewereld.

Aan het kruis zegt God: ik laat jullie niet los.

Ook in de grootste chaos, in het donkerste donker blijf ik bij jullie en maak jullie vrij.

Wat godgeklaagd is, mag, nee moet bij God geklaagd blijven.

Daarom zegt Jezus: Waarom hebt u mij verlaten?

Maar wat Godgeklaagd is, het kruis, is niet het laatste.

Er bloeit een tuin rondom een open graf.

Het christelijk geloof zegt: dáár blijf je mens bij.

Niet bij calculeren, geloven uit winst- en verliesoogmerk.

Niet bij alles kloppend krijgen.

Maar bij die relatie met God en bij het blijven beuken op Gods hart en zo voor hem buigen.

Niet om je uit te leveren en klein te maken.

Maar om rechtop te blijven staan en God te blijven herinneren aan de relatie.

Door tegen God te zeggen:

Hier ben ik.

En waar bent U?

En God zegt: hier ben ik.

Bij jou, altijd weer opnieuw.

 

Amen.