Regenboogkerk, zondag 26 februari 2017, 10.00 u.
Voorganger: ds. Christiaan Donner
Lezingen: Jesaja 38 en Lucas 18: 34-43
Gebed om licht en Geest
Dat toch, goede God,
in onze woorden vandaag,
die dans doorklinkt die uw schepping draagt,
de balts van de vogels, het gezang van de rivieren,
het geruis van de bomen, het gefluister van het gras,
het springen van de kikker,
want kil en koud zijn er mensenwoorden genoeg vandaag, stoer en stormachtig,
maar zo leeg aan liefde, aan toewijding.
Dat uw woorden in ons aan het zingen gaan
zoals een liedje gefloten in het donker,
zoals een liefdeslied gezongen tegen verdriet.
Dat wij weer weten, dat U het bent
in alles en allen, met liefde,
geen weg of U bent er gegaan.
Zoals Hij voorop ging, uw Mensenkind,
Jezus Christus, onze Heer: AMEN.
Gemeente, die Jezus lief is,
enkele weken geleden schreef Rob Schouten in zijn vaste column in Trouw over Hizkia. Rob Schouten is recensent van literatuur en dichter én opgevoed in een stevig christelijk genootschap. Waardoor hij steevast bijbelteksten kan citeren waar hij opeens aan moet denken, ook al gebruikt hij dan oudere vertalingen, want hij wilde zelf met dat geloof niet verder meer meegroeien. Rob citeert de tekst over Hizkia die we net hoorden en vraagt zich dan af, of hij dat zou willen horen: dat je niet meteen doodgaat, maar er nog 15 jaar bijkrijgt. Schouten noemt het een “Goed-nieuws-gesprek”. Maar vraagt zich daarna toch af, of hij dat zou willen: weten dat je dan over 15 jaar doodgaat. Je gaat dan toch op de kalender kijken, misschien wel, denk ik dan, de dagen afstrepen, zoals een gedetineerde dat in zijn cel doet.
Schouten zegt erbij dat hij het daarom ook niet zo op heeft met al die genezingen in de bijbel. Jongeling van Naïn, dochtertje van Jaïrus, Lazarus: uiteindelijk gaan ze na hun opwekking uit de doden toch gewoon een keer dood.
Schouten noemt dat: “beetje een dode mus eigenlijk”.
Hoezo?
Daar moeten we ons dan maar over buigen vanochtend, of zo’n boodschap, dat je herstellen mag en nog langer leven een soort knollen voor citroenen is.
Maar eerst was er nog iets opvallends, dat zowaar rijmde. In datzelfde Trouw stond afgelopen donder-dag een verslag van onderzoek dat Duitse en Spaanse onderzoekers gedaan hadden om een antwoord te krijgen op vragen over wat een mens wél en niet wil weten. En wat staat helemaal bovenaan van wat Spanjaarden en Duitsers absoluut niet willen weten? Nee, niet de datum van eigen overlijden. Dat wil 87% van de mensen in Duistland en Spanje niet weten. Maar de datum van overlijden van je partner of de oorzaak daarvan, dat wil meer dan 90% niet van te voren weten. O.k., in Spanje iets minder dan in Duitsland. Wat de andere vragen waren? Nou, even terzijde dan: of je huwelijk in scheiding zal eindigen, dat wilken net zo weinig mensen weten als de datum van hun overlijden. Maar de uitslag van een voetbalwedstrijd of wat je Kerstcadeau zal zijn scoort ook rond de 70%. Opvallend is dat Duitsers tegen de 60% niet wil weten of er leven is na de dood, maar van de Spanjaarden minder dan 45%. Geinigste vraag: of de edelsteen die ik gekocht heb, echt is. Dat willen veel meer Spanjaarden dan Duitsers niét weten.
Dat moest even, per slot is in het Zuiden het carnaval uitgebroken en een beetje leut mag dan wel.
Maar wij zijn intussen niet aan het hossen, ik mis ook geen bekende gezichten die nu verkleed als banaan of met Trump-kapsel door Oeteldonk lopen….
Wij horen de woorden van Jesaja en ja, wat moeten we ermee?
Een koning die bidt. Aandachtig, zorgvuldig en aandoendlijk bidt Hizkia. Hij schroomt niet om in zijn gebed die prachtige en gedurfde woorden van psalmen te gebruiken: “18 Nee, het dodenrijk zal u niet loven,
de dood prijst u niet,
zij die in het graf zijn afgedaald
verlaten zich niet op uw trouw.
19 Maar hij die leeft – leeft! – zal u loven,
zoals ik doe op deze dag.
Kan de dode U loven? Met andere woorden, laat mij leven, dat ik uw Naam kan prijzen. Bidden op het scherp van de snede, op het randje van chantage van de Eeuwige. Maar nogal wat psalmen bidden zo. de koning mag.
Hizkia bidt, nádat hij gehoord heeft van de profeet dat hij er nog jaren leven bij gaat krijgen. Hij kijkt terug op zijn schrik, omdat hij vlak daarvoor hoorde dat hij sterven moest. Want Jesaja heeft die boodschap nog maar net afgegeven en is de deur van het paleis nog niet uit, of hij moet terug om te zeggen; “De Eeuwige heeft je gebed verhoord”.
En dan bidt hij, het gebed was te lang om helemaal voor te lezen, maar het gaat door merg en been, juist achteraf, opgelucht, kan Hizkia zijn angst kwijt.
10 Ik dacht: In de bloei van mijn leven moet ik gaan,
de tijd die mij rest verblijf ik in het dodenrijk.
11 Ik dacht: Ik zal de HEER niet meer zien
in het land der levenden,
of ooit nog een mens aanschouwen
daar waar alles zijn einde vindt.
12 Mijn woonplaats werd ontruimd en lag open,
zoals de tent van een herder;
ik rolde mijn leven op zoals een wever het tentdoek,
hij heeft mijn draad afgesneden.
Dag en nacht staat u mij naar het leven,
13 weerloos lig ik tot het ochtendgloren,
als een leeuw breekt u al mijn botten.
Dag en nacht staat u mij naar het leven,
14 ik piep als een gierzwaluw,
ik klaag en kreun als een duif.
Maar nee, de Eeuwige heeft mij gehoord en ik leef.
Vreemd is hoe anders hij bidt, als hij van Jesaja hoort dat hij gaat sterven. ‘HEER, ik smeek u, neem toch in aanmerking dat ik me altijd oprecht en met heel mijn hart naar uw wil heb gericht en steeds heb gedaan wat goed is in uw ogen.’ Daarbij stortte hij bittere tranen.
Een mens moet het maar durven zeggen. Ik heb het u vast wel eens verteld, dat mij dat ergerde, toen ik als nét afgestudeerde dominee voor het eerst aan het schoffelen was in Gods wijngaard en in het verpleeghuis een gemeentelid ontmoette. Zij zei: “Moet u mij nou eens zien, ik heb me altijd goed gedragen, ben elke zondag naar de kerk geweest, heb altijd aan de collecte gegeven en mijn kerkelijke bijdrage betaald en nu? Zit ik hier in een rolstoel en ben verlamd”. Dat ergerde me. Ik hoorde niet de noodkreet daarachter, ik hoorde geen Kyrië eleison, maar dacht dat ik een wrokkige en zelfingenomen vrouw hoorde. Ik zei, ja het is schandalig: “Maar u bent de enige niet, kijk eens om u heen, hoeveel mensen hier lijden net als u”. En zij zei, kostelijk genoeg: ‘Is dát zo, des te erger, zijn er nog meer die zo lijden als ik? Verschrikkelijk, als ik nou de enige was…wat wíl God daarmee?’
Ik zweeg beschaamd en voelde me op mijn nummer gezet. Ze had gelijk. Zo praat je niet tegen een zieke.
Een mens is nood mag álles zeggen. Toch?
Het mag altijd “Kyrië” zijn. En dan niet te snel met een afgedwongen Gloria komen aanzetten, want dat kan lang op zich laten wachten. Hou dat maar met elkaar uit, dan.
Hizkia eindigt in een Gloria.
Hij had er zelfs een wat eigenaardig bewijs voor gekregen. De zonnewijzer ging enkele slagen achteruit. Is het u opgevallen in de lezing? Ik ben hard gaan zoeken, want wat dat nou weer betekent. Als u de versie van het 2e Koningenboek, waar dit verhaal ook verteld wordt, erbij leest, mag de koning zelfs kiezen of die wijzer vóór- of achteruit gaat. Natuurlijk kiest hij achteruit: aan het eind van de middag gaat de zonnewijzer altijd vooruit, dat zou geen wonderteken zijn. Het is de vraag of het een zonnewijzer is, of dat het over de treden van de tampeltrap gaat, waar de zuilen hun schaduw over werpen. Een schaduw die zich dus terugtrekt. Zou dat het zijn? De schaduw die over jouw leven viel, trekt zich terug. Het licht valt weer over je leven.
Zoals de oude Miskotte het ooit schreef bij de enige hoopvolle zin uit Prediker: “Maar het licht is zoet”. Miskotte dan, duidelijk uit eigen ervaring: “Dat is het licht, dat iemand door de bomen ziet, die net van de dokter komt en gehoord heeft dat hij niet meer lang te leven heeft. Dát licht, door de bomen, hij ziet het als nooit eerder, dát licht is zoet”.
Hè, denk je dan.
Ja, dát licht is zoet.
Als het leven opeens onvoorstelbaar meer waardevol geworden is.
Juist met de dood voor ogen.
Gaat het in de bijbel dáár niet om?
Om de waarde en de waardigheid van leven?
Is bidden om genezing, met wie ziek zijn, met wie ten dode toe moe zijn, met wie sterven gaan, niet daarom zo van betekenis, omdat het de waarde van leven woorden geeft?
Voor God brengt? De Eeuwige?
Niet afschrijft, eigenlijk maar vast, niet hopeloos doet, niet in verholen medelijden versloft, maar de waarde van een mensenleven hoog houdt. Desnoods tegen álles in aan verlies van …decorum?
Maar wie heeft niet even hartstochtelijk gebeden en is toch overleden? Toen de ziekte terugkwam, de uitzaaïngen toch weer kwamen?
Ja.
Geloof je dan niet genoeg?
Nee.
Bid je niet goed?
Nee.
Maakt God je dan ziek?
Nee.
Wil Hij dan niet dat je leeft?
Ja.
Maar het lijden heeft bij Hem nooit het laatste woord.
Dáár gaan, denk ik, hoop ik, al die verhalen over genezingen over. Het lijden heeft nooit het laatste woord.
Een mens blijft een schepping, eindeloos mooi, intens gedroomd, met de grootst mogelijk liefde liefgehad.
Jezus gaat met zijn intieme kring van twaalf op weg naar Jeruzalem. “Wij gaan”, zegt hij. “Wij”.
Hij beschrijft wat voor weg dat wordt. En hij legt dit keer, de derde keer dat hij dit zegt, alle nadruk op vernedering, op het moeten ondergaan, op beschaming en ondergang. Woord voor woord.
Maar op de derde dag, op het nippertje, zal ik opstaan uit de dood.
Zijn intimi, vertelt Lucas heel precies:
zij begrijpen niets van dit alles:
dit woord blijft verborgen voor hen,
ze hebben niet herkend wat er is gezegd.
En dán gaat Jezus Jericho binnen, of all places, en komt er iemand tot zien. En daarna volgt het verhaal van Zacheüs die omkeert en de gelijkenis van de tien ponden, van de mensen die er méér van maakten en van die ene die het ene pond maar liever begroef. Drie antwoorden van Jezus op zijn twaalf, die niet zien, voor wie de woorden verborgen blijven en die niet herkennen.
Dit alles durf ik zo te zeggen, vanwege de blinde man in Jericho.
Of liever, vanwege hoe Jezus met hem omgaat.
Er zijn van die verhalen in de bijbel, waar je in één keer de kern van alles kunt zien. Door het verhaal heen. Dit is er zo één.
Daar zit langs de kant van de weg een man te bedelen. Er is nogal wat met hem aan de hand. In één zin. Toch een heel leven. Getekend. Hij is blind, hij moet bedelen en hij moet vragen wat er om hem heen gebeurt.
Hij is blind. Dat is in de bijbel nooit zomaar dat je niet zien kunt door een ongeluk aan je ogen. Dat is: je ziet niet wat je zou kunnen en moeten zien: aan het leven, aan de hemel en de aarde, je ziet de weg niet. Je wéét de weg niet, je bent in het leven verdwaald.
En afhankelijk. Dus moet hij vragen, wat hij niet zien kán: wat is er gaande? “ “Jezus de Nazoreeër loopt door de straat”. Oh, die. Etiket bekend. Nou en? Oh, het is die zoon van de timmerman maar, hebben ze al eens gezegd. Maar de blinde man wéét iets, heeft in zijn gesloten wereld gedaan wat hij juist heel goed kan: gehoord. Hij kan wél luisteren en oppikken wat waard is en wezenlijk.
O, je zou willen dat je het kon. In deze dagen en de komende zeg, waar we ik weet niet wie op de straten campagne horen en zien voeren en op internet met hun oneindige geduld met mogelijke kiezers, lonkend, lokkend, verleidend. Waar is een woord dat waar en waard is? Dat ook blijvend kracht zal hebben als alle campagne voeren weer voorbij is?
Hier zit langs de weg een mens die de weg weet en meteen hoort dat die weg nu voorbij komt.
“Zoon van David”, schreeuwt hij, “heb medelijden”.
“Eleison”, Kyrië eleison”. Hij raakt de open zenuw van alle verwachting van de goede koning, de David die komt en heersen zal, van wie Job ooit zei: “Als een koning, dat is: één die treurenden troost”.
De kerk bidt het hem al eeuwen na, iedere viering: Heer ontferm U, kyrië eleison.
En nou die omstanders. Die gaan tegen hem te keer; Mond houden, blinde. Ophouden. Het is Jezus, niet schreeuwen, heb respect, hou je mond. Mensen doen dat zo, hè, wij mensen, zeg ik maar even voorzichtig. Iemand heeft een probleem en laat ie dat maar houden. Iemand moet daar alleen mee blijven staan want stel je voor. Ik wil jouw probleem niet overnemen, niet met me meedragen. Dus hou het alsjeblieft – en zo beleefd wordt het niet gezegd.
En nu doet Jezus iets vreemds; ook iets anders dan mensen meestal doen: hij zegt; Roep hem. Afstandelijk, lijkt dat, waarom gaat hij niet naar die man toe en buigt zich over hem heen, slaat z’n arm om hem heen? Het is anders: Jezus schakelt alle mensen hiermee in. Al die mensen die de bedelaar op afstand willen houden betrekt hij er nu in: Roep hem. Jezus gebruikt zijn gezag om de man als een mens in het midden van allen te zetten en hij brengt hen in beweging om zich de man aan te trekken.
En dan gebeurt het allervreemdste.
Als de blinde man voor hem staat, vraagt Jezus : “Wat wil je dat ik voor je doen zal?” Je ziet Petrus denken; “Is ie blind of zo? Ken je dat niet zien wat er met die man is? “
Jezus gaat er niet van uit, dat hij het weet. Bovendien: dit gaat niet over blindheid als ziekte die even met wat toverij genezen wordt. Dit gaat over “de weg zien naar het leven”. Om die te vinden moet je zelf weten wat je wilt. Dat kan een ander niet voor je bepalen van te voren. Jezus laat zien hoe je met een mens omgaat: laat iemand zelf de verantwoordelijk-heid voor zichzelf nemen.
De man vraagt om zien, om uitzicht om toekomst om een weg die hij zien kan. En dat is wat hij krijgt. En meteen gaat hij ook op weg. Hij laat alles achter, wat heeft hij te verliezen? Zeggen wij dan cynisch. Nee, hij heeft gewonnen. Voor al die andere mensen. In hem zie je wat een mens is, wie u en ik zijn.
Nou, de weg ligt altijd vlak vóór je, je hoeft ‘m alleen maar te zien. Maar we hebben zo onze verblindingen. – wij mensen.
Dat we het toch konden. Dat we beseften dat dat álles is. Die ene vraag: Wat wil je dat ik voor je doen zal?
Niet het bij voorbaat weten. Of zo bang zijn voor het antwoord dat je het niet durft te vragen. Wat een verademing: mensen die niet bij voorbaat al weten wat er met je aan de hand is. Zeker in onze deskundigenmaatschappij.
Wat als het u gevraagd wordt? Zo intens en zo intiem? Alsof je door jezelf heenkijkt op je allerdiepste: je diepere verlangens, je diepste hoop, je grootste wens, je langsgekoesterde droom. Die je zelf misschien ook niet durft toe te laten. En daarom al vergeten was. Dacht je.
Wat dát met een mens doen kan. Zeker met iemand die zich in zijn eigen schuld heeft opgeborgen, gevangen gezet. Die bang is nog ook maar iets te hopen. Zichzelf een leven te gunnen. Zo iemand, hoe weerbarstig ook en hoe lastig misschien ook, schreeuwt om bevrijding. Dat hebben wij als kerk te bieden. Vertrouwen en veiligheid. En mensen die open genoeg zijn, want bevrijd, om te vragen: Wat wil je dat ik voor je doen zal?
Van een ander mens het diepste verlangen durven vragen. Durven horen. Ons eigen diepste verlangen durven uit te bidden.
En juist wél te durven bidden, als het onmogelijk, zinloos, overbodig, onzinnig, overmoedig lijkt – wat wie ben jij om dat te vinden?
Bij God heeft het lijden nooit het laatste woord.
Leerde mij een andere mevrouw in datzelfde verpleeghuis, waar ik nog steeds heel erg veel leren moest. Ze lag al maanden aan een bed gekluisterd, kon nauwelijks nog een beweging maken. Maar zei, na een rustig en intiem gesprek: “Weet je, wat ik nou zou willen? Bij jou achterop de fiets nog een keer over de hei rijden”. Ik begon, domkop dat ik net afgestudeerd was, te sputteren van: ‘Maar u moet helaas, mevrouw, toch aanvaarden dat u niet meer…” Ze onderbrak me vriendelijk, maar stevig en zei: “Zul je me nooit de hoop ontnemen?”
We hebben daarna gedroomd hoe we samen over de hei fietsten.
Bij God heeft het lijden nooit het laatste woord.
In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest…