Handelingen 17, 16 – 34  Webversie                                                   PGO, 26 juli 2020

 

Thema: Geloven in een ‘onbekende God’

 

Eerste lied / psalm 87 : 1 , 2 , 3

 

U zou na het zingen van psalm 87 een idee kunnen hebben van het thema van dit ochtendgebed.

In vers 3 gaat het over: alle volken tellen als in Israël ingelijfd en hen de naam ‘kinderen van Sion’ doen dragen: meet andere woorden: alle mensen, wereldwijd kennen de naam van de God van Israël.

Ik heb psalm 87 altijd beleefd als een zendingspsalm.

Zending als: wereldwijd het geloof delen in de God van Israël en in Jezus Christus.

Ik heb in de zending gewerkt: was 7 jaar studentepredikant in Surabaya, Indonesië.

Daarna werkte ik 17 jaar bij mee aan de opleiding van mensen die uitgezonden werden namens onze kerk in Nederland om samen te werken met kerken en diaconale organisaties overzee.

Dat gebeurde en gebeurt nu nog met enkele mensen in Indonesië, Afrika, Midden en Zuid-Amerika en Libanon.

 

Gebed om ontferming

 

Opening van de Schift.

 

Inleiding op de lezing

 

Voor de kinderen

Waar is glas in ramen eigenlijk voor?

Denk eens aan lopen door een winkelstraat.

Meestal kijken mensen door een winkelruit naar wat er in de etalage ligt.

Vind ik het echt mooi, heb ik het nodig, zou het mij staan?

Soms zie je mensen op straat in een etalageruit kijken… naar zichzelf.

Raam kan spiegel zijn.

 

Zo heb ik Zending beleefd.

 

Naar andere mensen, kerken in andere culturen kijken en dan over jezelf nadenken.

 

Zo lezen we ook uit de Bijbel: een verhaal over toen: we kijken door een venster.

Maar ook om naar onszelf te kijken, in de spiegel van dat Bijbelverhaal.

 

Moge dat zo zijn.

 

1e lezing door een lector: Handelingen 17 : 16 – 34

 

We zingen:   lied 825 : 1 , 4 , 5

 

Overdenking

 

 

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

1.

Een belangrijk deel van mijn leven en werk speelde zich af in ‘de Zending’.

Zending is het ter sprake brengen van, het vertellen over je geloof in Jezus Christus en in God, zijn Vader en in de Heilige Geest, de energie en de inspiratie die van God en Jezus uitgaat.

En dat doe je dan in de overtuiging dat het degenen met wie je over dat geloof spreekt goed kan doen.

 

Datzelfde ‘werk’ werd in Nederland: evangelisatie genoemd.

Met anderen over het evangelie spreken.

 

Zending en evangelisatie klinken als iets uit het verleden.

En dat brengt ons bij de vraag: hoe doen wij dat dan nu?

God ter sprake brengen, hoe en waar doen wij dat?

 

Toen ik 40 jaar geleden betrokken raakte bij het werk van de zending, merkte ik dat verhalen over de zending naar twee kanten werkten.

Ik hoorde verhalen over de kerken in Oostelijk Indonesië, op Sumba, in Papua en op de Molukken. En na zo’n vergadering met zetten al die verhalen me aan het denken over hoe wij hier in Nederland kerk waren.

Wat het geloof voor ons eigenlijk betekende, hoe wij ermee en eruit leefden.
Hoe ik ermee en eruit leefde.

 

Het raam dat openging met uitzicht op Indonesië werd, als het weer dicht ging, een spiegel voor mij in Nederland.

 

2.

Een van de vragen die bij de voorbereiding op mijn werk in Indonesië steeds terugkwam was: hoe spreek je over God in een andere cultuur, met mensen die al een geloof hebben.

Hoe spreek je met mensen die voor je gevoel vaak veel ‘geloviger’, religieuzer zijn dan jijzelf?

Sommige mensen vergroten die vraag graag uit en hebben het dan over de arrogantie van de zending; wie ben jij als westerse christen om jouw geloof aan anderen te willen overdragen of opdringen?

Ik snap wel waar die vragen vandaan komen.

Die komen uit een verleden met veel donkere kanten, waarin zending gekoppeld werd aan kolonialisme, maar ik heb ook genoeg gehoord en gezien om te weten dat het christelijk geloof ook bevrijding heeft gebracht, verzoening mogelijk maakte en aan gerechtigheid bijdroeg.

 

Straks, aan het eind van deze preek, geef ik daar nog een voorbeeld van.

 

3.

Een belangrijke vraag onder de vraag waarom je met mensen in een andere cultuur over het christelijk geloof zou gaan praten, is altijd; hóé spreek je over God en Jezus Christus in een andere cultuur, met mensen van een ander geloof?

Begin je dan met te zeggen dat je een geheel nieuwe boodschap hebt, die totaal anders is dan wat zij geloven en denken?

Of zoek je naar aanknopingspunten in die andere cultuur, zoek je aansluiting bij het geloof van de mensen met wie je contact hebt?

 

Bij die vraag komt meestal het verhaal over Paulus op de Areopagus, een rots midden in de stad Athene ter sprake.

Paulus had eerst goed rondgekeken in de stad en nagedacht over hoe de Atheners geloofden en besloot toen om aan te sluiten bij hun manier van denken en geloven.

Was dat nou een goede aanpak of juist niet?

Sommigen zeggen; nee, dat is niet de goede aanpak: dat zie je ook: mensen beginnen te spotten met wat Paulus naar voren brengt en lopen weg.

We horen maar van één man en één vrouw, Dyonisius en Damaris, en nog een paar anderen, dat ze het geloof aanvaardden.

Maar verder lachen ze Paulus uit met zijn verhaal over de opstanding.

 

Anderen zeggen; ja, die manier van Paulus is wel een goede manier, want naast die paar mensen die zich aansluiten is er een aantal mensen dat zegt; interessant, wij willen nog wel eens verder praten met jou.

Dan heb je toch maar een contact gelegd…

 

4.

In de zending hebben we, onder meer van Paulus, geleerd dat je je moet verdiepen in een cultuur, in de context waarin mensen leven om goed over het geloof te kunnen spreken.

Hoe verdienen mensen hun brood, waar zijn ze bang voor, hoe beleven ze hoogte- en dieptepunten in hun leven, wat zijn hun rouw- en trouwrituelen, welke oplossingen hebben ze gevonden voor de grote en de kleine vragen van het leven?

En neem mensen daarin serieus!

Paulus gebruikte in Athene niet een handig retorisch trucje om de aandacht te trekken.

Nee, hij neemt het geloof, het leven en denken van de mensen in Athene serieus.

En dan komt hij met zijn boodschap over de ‘onbekende God’.

 

5.

Hoe doen we dat in de Zending, bijvoorbeeld in Indonesië?

Daar zijn veel interessante en mooie en moeilijke verhalen over te vertellen.

Maar wat altijd een rol speelde; mensen in Indonesië of in welke andere cultuur dan ook zagen natuurlijk ook hoe wij westerse mensen leefden en geloofden.

 

Kregen zij uit onze manier van leven en geloven een goed beeld van God te zien?

Of kregen ze een karikatuur te zien?

Kenden de mensen uit het Westen God wel zoals hij is, hebben ze de boodschap van Jezus Christus wel goed begrepen en goed vertaald in hun cultuur?

Of geeft de westerse cultuur ook vaak een vertekend beeld van God en van het christelijk geloof?

 

6.

Geloven wij in een ons bekende God of eigenlijk ook nog steeds in een onbekende God, in de zin van: wij zoeken ook nog steeds hoe we goed over God kunnen spreken en goed uit het christelijk geloof kunnen leven.

Ook bij ons is God voor de meeste mensen een onbekende God geworden.

Hoe vaak krijg ik in gesprekken of in Whats-Appjes, voor de telefoon of in e-mails niet de opmerking; Ik snap God niet meer, waar is God nu, ik begrijp het niet meer, waarom laat God dit toe, ik kan Hem niet meer volgen…

Boosheid en verdriet, onrecht of machteloosheid (corona): vaak beseffen we dat ook wij te maken hebben met een onbekende God.

 

Daarnaast zijn er heel veel mensen voor wie God geen betekenis meer heeft, over wie ze nog wel eens wat horen omdat zoveel in onze cultuur naar de rol van het christelijk geloof verwijst, maar voor wie God geen levende werkelijkheid meer is.

Nog wel ergens een altaar, een monument, ouders of grootouders die naar de kerk gaan, maar geen duidelijk beeld van God meer, laat staan een bron van inspiratie of kracht die richting aan het leven kan geven.

Geloof is niet meer iets dat gelukkig maakt, vrede teweegbrengt en troost schenkt.

 

7.

De toespraak van Paulus in Athene gaat over de diepste vragen van het leven: dat God voor zoveel mensen een onbekende God is.

Over God die ook onszelf zo vaak als onbekend voorkomt.

Er zijn wel beelden over God, overal zijn beelden, voorstellingen, verhalen, uit het verleden, uit het heden: allemaal beelden van God, maar toch: zo vaak is God onbekend voor ons; zoeken wijzelf ook nog steeds naar die levende en inspirerende God die het leven mooi maakt zodat Hij en wij kunnen zeggen: zie het is goed.

 

8.

Paulus raakt iets heel dieps aan daar in Athene.

Dat gaat diep in Indonesië en in alle landen waar kerken en geloofsgemeenschappen het christelijk geloof ter sprake willen brengen.

Dat gaat diep in Europa, in ons eigen land, met alle vragen van kerken die kleiner worden, grote vragen waar we als samenleving mee worstelen maar waar we als gelovigen ook niet zomaar een woord voor de wereld bij hebben.

Die tijd is voorbij, als die er ooit echt geweest is.

 

Wat Paulus aanraakt gaat diep door onze eigen ziel als wij met onze eigen kinderen of kleinkinderen willen praten over God en geloof.

We moeten dan praten over een grotendeels onbekende God, voor hen en soms ook voor onszelf.

 

En wat doet Paulus in zijn toespraak in Athene: hij neemt dat onbekend zijn van God serieus.

Dat mogen wij dus ook doen; we kunnen niet anders.

We zien onszelf in de spiegel van dit Bijbelverhaal.

 

Maar Paulus doet het venster ook open.

Hij zegt: het was ook Gods bedoeling dat wij hem zouden zoeken en al tastende hem vinden, want hij is niemand van ons ver weg.

Want in hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.

 

Geen vaste beelden meer, maar wel de overtuiging dat God te vinden is, dichtbij, in al die momenten waarin wij ervaren dat wij iets belangrijks beleven.

In die momenten dat wij zien hoe onze kinderen zich bewegen, hoe onze kleinkinderen zijn. Onze buren en vrienden, landgenoten, wereldburgers, hoe zij leven, bewegen en zijn.

 

Wij en zij weten niet precies wat we geloven, maar wij zijn mensen die zoeken en God zegt ik ben dichtbij om gevonden te worden.

En ineens is er dan zo’n straal van licht, van Godservaring, van troost, van gerechtigheid die geschiedt, van vreugde die het leven mooi maakt.

Waarvandaan?

Je raakt ontroerd, voelt diepe dankbaarheid, je kunt toch weer verder na een tijdje hangen en wurgen. Je hebt niet alle moed verloren, er leeft toch weer hoop, je ervaart ergens een kern van rust.

En je beleeft dat als iets dat je ‘overkomt’, je kon het niet ‘organiseren’ maar het was er toch.

Paulus zegt: dat komt van die voor ons zo vaak onbekende God, van wie wij het kruis kennen, maar ook de opstanding.

 

Dat is altijd spannend; wat zien we en wat raakt ons?

Het kruis als symbool van alles wat mis kan gaan maar dan in het licht van de opstanding? Dat er toch nog hoop is, ook als er veel tegenzat of zit?

 

Of opstanding tegen de achtergrond van het kruis?

Je kunt weer verder, ook al ben je door het leven getekend geraakt.

Niet alles is meer gaaf en vanzelfsprekend goed.

Maar je kunt wel verder en er is toch vreugde.

 

Geen vaste welomschreven beelden meer van God, maar wel de ervaring van Gods nabijheid om in te ademen, te bewegen, te leven.

 

Vergeet alstublieft niet om het er met elkaar over te hebben.

Want dat is één van de manieren om elkaar serieus te nemen.

En daar begint de verkondiging van het Evangelie mee.

Met elkaar en elkaars beleving serieus te nemen.

 

Dan kunnen ook de verhalen van geloof en bevrijding loskomen:

Een Afrikaanse vrouw uit Londen vertelde me ooit:

In Afrika was ik gediplomeerd verpleegkundige.

In Londen moest ik beginnen met po’s te legen…

Ik werd niet gezien; ik was een ‘nobody’.

 

In de kerk werd ik wel gezien; in onze gemeente ben ik pastoraal medewerkster.

Daar ben ik ‘somebody’.

Daar beleef ik dat God mij heeft gezien.

 

In Hem leef ik, beweeg ik mij en ben.

 

Amen

 

We zingen:   lied 755