Job 1 en Marcus 3, 1 – 6 RBK, 3 juni 2018

Gebed van toenadering

Kyrie-gebed

Gebed van de zondag

Met de kinderen
Ik ga jullie drie keer hetzelfde verhaaltje vertellen.
Maar het loopt steeds iets anders af.
Het gaat over kinderen die met hun ouders naar een sportwinkel gaan.
Daar hebben ze spullen voor allerlei sporten zoals tennis en voetbal en wielrennen.
Zo’n beetje waar we de hele zomer mee bezig zijn.
Roland-Garros, WK Voetbal in Rusland en de Tour de France.

Verhaaltje 1
Lotte’s moeder koopt nieuwe voetbalschoenen: Ze gaat op damesvoetbal, volgende herfst. Nu heeft de sportwinkel een reclameactie.
Als je je naam invult kun je een fiets winnen.
Prachtige kinderfiets!
En Lotte wint hem! Ze is er heel blij mee.
Maar na twee weken komt er een storm: een boom waait om achter hun huis en valt op haar nieuwe fiets.
Lotte is heel verdrietig.
Maar ja, zegt ze, ik heb mijn oude fiets nog, deze nieuwe was extra.
Het was leuk en het is jammer; ik heb er nog een foto van.
Ik ga nu bij Sanne spelen, op mijn gewone fiets.

Verhaaltje 2
Kees zijn vader koopt een tennisracket
Kees wint een fiets.
Boom. Fiets kapot.
Kees is heel boos!
Hij wil een nieuwe fiets, hij kan niet meer gaan fietsen met dat oude ding.
Hij gaat op zijn kamer zitten en komt niet meer naar buiten voor hij een nieuwe fiets heeft.
Zijn ouders zeggen nog: Kees, je oude fiets was toch ook goed…?
Daar wordt Kees nog bozer van.

Verhaaltje 3
Emma’s moeder koopt grote fietstassen voor de vakantie.
Nieuwe fiets.
Boom.
Verdrietig.
Emma is al drie dagen heel stil.
Als haar moeder vraagt wat er is, zegt Emma: ‘Is het mijn schuld’?
Heb ik iets fout gedaan; mag ik geen nieuwe fiets?
Waarom dan niet?
Nee joh, zegt haar vader, zo moet je niet denken.
Jij kunt er niets aan doen.
Ja dat kan papa wel zeggen maar toch…

Wat zou jij tegen Lotte, Kees en Emma zeggen?

Hier in de kerk gaan wij nu over Job lezen.
Er overkomen hem allemaal verdrietige dingen.
Hoe gaat hij ermee om en wat leren wij daarvan?
Jullie gaan ook over Job horen en misschien helpt dat wel om een idee te krijgen wat je tegen Lotte, Kees of Emma zou kunnen zeggen…
Maar misschien hoef je even niets te zeggen…

Schriftlezing; inleiding
Job 1: zit vol met haken en ogen.
Allemaal aanknopingspunten voor een preek
We gaan er vier weken, hele maand juni, over doen.
En ik mag 4 keer voorgaan!
Bij de voorbereiding vandaag dacht ik: over hoofdstuk 1 alleen al kan ik wel 4 keer preken…

Luistert u bij het voorlezen van Job 1 eens goed mee.
Waar zou het volgens u in de preek over moeten gaan?
Ik kom straks een paar van die aanknopingspunten bij u, mondeling, ‘ophalen’.

(Een paar opmerkingen had ik min of meer voorzien en zouden al in de preek ter sprake komen, andere punten heb ik meegenomen bij de voorbereiding van de volgende preken)

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

1.
Er was eens een man in het land Us en hij heette Job.
Zo beginnen sprookjes.
Dat zijn verhalen over mensen en plaatsen die je niet terugvindt in de geschiedenisboeken en op de landkaart.
Maar die verhalen zitten wel vol boodschappen; vol met lessen en moraal.
Het is geen les in geschiedenis en aardrijkskunde.
Wel: lessen in wijsheid
En dat is precies de bedoeling van het Bijbelboek Job.
Het is wijsheidsliteratuur.

Het gaat over de grote vraagstukken in het leven, misschien wel over het grootste vraagstuk: het lijden van mensen en waar het lijden vandaan komt.
Of beter: wat heeft het lijden met God te maken en God met het lijden?
Kunnen we daar wat wijzer over worden.
Kunnen we er zelf wijzer van worden, door de gedachtegangen in dit Bijbelboek eens te volgen?

Het is nog het Oude of Eerste Testament.
We kunnen niet direct of hoeven nog niet direct ook de boodschap van het Nieuwe Testament over God en het lijden, het lijden van Jezus Christus, mee te nemen als we aan Job beginnen.
We hebben wel uit het Evangelie gelezen over die man met de verschrompelde hand die door Jezus werd genezen.
Dat is ook een verhaal over lijden en Jezus heeft er oog voor.
En hij doet er iets aan, als een teken, een verwijzing naar de betekenis van Jezus komst.

Maar een wijsheidsboek is nog geen Evangelie.
Een wijsheidsboek nodigt ons eerst uit om de vragen die er zijn maar eens goed op ons af te laten komen.
Welke vragen komen er op in je hoofd en in je hart?
Spreek eerst je vragen maar eens uit voordat je gaat luisteren of moet luisteren naar antwoorden.

Hoofdstuk 1 van het boek Job is zo’n hoofdstuk dat vragen stelt.
Als zo’n tennisballenkanon: telkens wordt er weer een nieuwe bal afgevuurd.
Hier heb je een vraag, en nog één, en nog één…
Je kunt ze niet allemaal opvangen en terugslaan.
Ze vallen om je heen op de grond.
Dat is ook niet erg.
Laat ze maar op je af komen.

Wijsheid begint met vragen stellen, vragen toelaten.
Niet met snelle antwoorden en alles maar van je lijf houden.
Laat de vragen maar komen.

2.
Laten we maar beginnen waar uw aandacht bleef haken bij het lezen van Job 1.

(Er worden vragen gesteld, gedachten aangedragen die op gekomen waren bij het lezen van Job 1. In de loop van deze preek komen een paar van die punten aan de orde)

Dan ga ik nu langs de vragen die ik zelf herkende in Job 1.
Ik ga ze van voren af aan langs.

Job woonde in Us.
Hij is dus een man van buiten Israël.
Maar wel: rechtschapen en onberispelijk, met eerbied voor God en er zit geen kwaad in hem.
Bijzonder eigenlijk: in het heilige boek van Israël, met de verhalen over de God van Abraham, Isaäk en Jakob, komt zo’n gave, oprecht vrome man voor uit een land dat we niet eens op de kaart kunnen terugvinden.
Een vreemdeling, een buitenlander, een buitenstaander.
Zelfs zijn naam, Job, komt maar één of twee keer elders in de Bijbel voor.
Hoe kent deze buitenstaander de God van Israël?
Hoe weten we of hij de God van Israël kent…?

Dan krijgen we de beschrijving van een Midden-Oosterse hofhouding.
Alles is veel en rijk; het kan – letterlijk – niet op.
Veel vee, veel personeel.
Veel kinderen, zeven zonen en drie dochters.
En die kinderen feesten wat af.
Op overdadige feesten.

Het is wel een hecht gezin; ze komen allemaal bij elkaar op de feesten.
Dat is ook niet altijd vanzelfsprekend.
Dat hoeven we elkaar niet uit te leggen; er zijn genoeg voorbeelden van gezinnen waarbij de feesten niet door iedereen worden meegemaakt.
Maar dan is er toch een vraag.
Gaat het eigenlijk wel echt goed met die kinderen die het zo goed hebben?

Job, de vader, is er niet gerust op.
Weet hij wel alles wat die kinderen doen?
Wat gebeurt er allemaal in de jet set waar zijn kinderen zich tussen bewegen?
Wat denken die kinderen diep in hun hart eigenlijk?
Geloven ze wel in de God waarmee hij hen heeft grootgebracht?
Job tobt erover.
En hij brengt offers voor hen.
Hij zal daar wel bij bidden en om vergeving vragen, maar wat weet hij eigenlijk van wat zijn kinderen denken en doen?

Praten ze wel met elkaar of is het oppervlakkige praat?
Doen ze alleen maar verhalen over weer zo’n geslaagd feest.
Nu had hij weer dit verzonnen of dat; nieuwe wijn ontdekt, een nog betere kok gevonden.
Oh, en verbouwd natuurlijk.
En de tuin; kom we gaan buiten zitten…

En onderhand tobt Job over zijn kinderen.
Maar we lezen niet of hij met hen praat…
Kan hij dat niet, durft hij dat niet?
Weet hij niet goed hoe hij erover moet beginnen?
Zijn kinderen doen het allemaal toch zo goed in de samenleving…
Moet hij ze dan met het geloof lastigvallen?

En waarom denkt hij eigenlijk zulke dingen over zijn kinderen?
Hoe komt die gedachte dat hij God moet offeren bij hem op?
Knaagt er bij hem zelf van binnen soms iets?
Vertrouwt hij God soms niet helemaal?
Moet God tevreden worden gesteld met die offers?
Moet hij de schuld van zijn kinderen afkopen?

Ik zei het al; dit hoofdstuk is een soort tennisballenkanon: het blijft maar vragen afvuren.
De grond ligt ermee bezaait.
Nu al.

3.
Dan verschuift het beeld.
De camera staat nu opgesteld in de hemelse gewesten.
Daar wordt een soort vergadering gehouden, zoals je dat in andere verhalen over goden en godsdiensten ook wel leest.
Zeus en zijn godenfamilie op de Olympus, met alle rangen en standen daarin, is zo’n voorbeeld.
Er zijn andere voorbeelden te noemen.

Hier vergadert God met de hemelbewoners, letterlijk staat er; de godenzonen.
En dan is daar de satan opeens.
Die is er blijkbaar niet elke keer, maar vandaag is hij weer eens opgedoken vanuit zijn rondzwervingen over de aarde.
Het is een ijverige figuur, die satan, dat snappen we wel.
Dat hoef ik u ook eigenlijk niet te vertellen.

Hier zouden we ook onmiddellijk vragen kunnen hebben.
En in de kerkgeschiedenis, in de theologie, zijn hier ook al veel antwoorden geformuleerd.
Wat is een satan, wat doet hij, bestaat hij echt etc. etc.
Wie is het?
Heetgebakerde vragen waarop we liefst ook een nog dampend antwoord krijgen, nieuw, vers, actueel.

Maar nog vóór wij onze vragen kunnen afvuren, stelt God al vragen aan satan.
Waar kom je vandaan?
En: heb je mijn dienaar Job wel gezien, echt gezien?

4.
Dan ontstaat er een merkwaardige kortsluiting in Job 1.
De satan, de aanklager, de tegenspreker, de op-zijn-kop-zetter, de ondermijner, begint te praten.
Hij heeft een theorie:
Dat Job zo rechtschapen en onberispelijk is, godvrezend en wars van het kwaad is… Dat is geen wonder!
Het gaat hem ook zo geweldig goed…
U geeft hem alles, zegen op zegen, grote welvaart en u beschermt hem tegen alle tegenslag.
Geen wonder dat hij zo gelovig is, u zo trouw.

Dat is in tegenspraak met wat net over Job gehoord hebben.
De satan roept dat het geen wonder is dat Job gelovig is omdat het hem zo goed gaat…
En Job denkt juist:
Het gaat mijn kinderen zo goed, als ze nu maar niet zondigen, dingen doen waar je niet beter van wordt, maar die je doet omdat het kan…
Als ze nou God maar niet vaarwelzeggen, in hun hart vervloeken.
Als ze maar niet denken dat je God nergens voor nodig hebt, want het gaat hen toch wel voor de wind…

Welke gedachtegang staat het dichtst bij u?
Dat het makkelijk is om te geloven als het je goed gaat?
Of dat het gemakkelijk is om je geloof te laten verwateren als het je toch wel goed gaat?
Dat je het geloof sneller loslaat omdat het je goed gaat?
Of dat je het geloof sneller loslaat omdat het je slecht gaat?

5.
Het loopt er in het verhaal op uit dat de satan alles mag inzetten om de bezittingen en zelfs de kinderen van Job te treffen.
Terroristen uit de woestijn die de stallen en de veekralen plunderden.
Natuurgeweld waarbij vee en personeel omkomt.
Nog een vijandige aanslag met grof geweld waarbij kamelen en andere personeelsleden worden vermoord.
En tenslotte een woestijnstorm met de gevolgen van een aardbeving: heel Jobs familie komt om, wordt bedolven onder het puin.

En Job is kaal en naakt.
Alleen het vege lijf is hem nog overgebleven.

Maar hij kan nog spreken.
En dan zegt hij die woorden die in de geschiedenis zo’n eigen leven zijn gaan leiden:
De Here heeft gegeven,
De Here heeft genomen,
De naam des Heren zij geprezen!

Ondanks alles zondigde Job niet en maakte God geen enkel verwijt.
Einde hoofdstuk 1.

6.
En einde preek ook.
De tijd is op.
Dat had ik al aangekondigd: Job 1 is een vragenkanon.
De vragen liggen allemaal om ons heen op de grond.
Je kunt er verbijsterd naar kijken.
En nog geen spoor van antwoord vinden.
Of: áls je al dacht dat je wist hoe je je tot al die vragen moet verhouden, dan kun je je ook ineens weer ‘terug bij af’ voelen.

Ja, Job heeft niet voor niets 42 hoofdstukken.
Hoofdstuk 1 is nog maar de ouverture, de opmaat.
De preek is nog niet af.
Er komen er nog drie.

Voor nu alleen deze twee gedachten om mee te geven:
Als je werkelijk niet begrijpt wat je overkomt…
Waarom dit en dat en dat en ook nog dat…
Dan is het niet gek dat je denkt dat dat ‘over je beslist wordt, boven je hoofd…’
Dat je naar de hemel kijkt en je speelbal voelt.
Dat gevoel is in Job 1 benoemd.
De Bijbel weet ervan.
Daarmee is niet een uitleg gegeven van hoe het tot dit lijden komt…
Het is veel meer een erkenning van het gevoel dat je zo machteloos en verlaten bent.
Dat er met je gespeeld wordt, dat jij de speelbal bent van een hard lot of, nog harder, van een harteloze God.

Met dit verhaal van Job horen we de Bijbel zeggen:
Dat gevoel van jou, dat snapt God; dat je denkt dat er met je gespeeld wordt, een luguber en gruwelijk spel.
Zo is het ook vaak in het leven met al zijn lijden.
Daar komen we dus op terug; is God zo harteloos?

En, twee, dat Job zoiets zeggen kan als:
De Here heeft gegeven en de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geprezen…
Zet u Job nou niet te gauw in de hoek van ‘veel te vroom’ of die van ‘dat hij dat nog gelooft’…
Job probeert om overeind te blijven.
Dat kun je zo ontzettend bewonderen in het leven van mensen.
Hoe ze proberen om overeind te blijven met de taal van het geloof, die je dan niet te letterlijk moet willen uitleggen.
Ze zeggen iets over wat ze meegekregen hebben en waarvan ze gemerkt hebben dat mensen er ooit kracht in vonden om vol te houden.
En nu proberen zij dat zelf, en ze redden het vaak nog ook.
Met woorden die ons als veel te vroom kunnen treffen; dat je niet kunt begrijpen dat iemand zoiets zegt…
Job zegt het, waar haalt hij die woorden vandaan?
Was het een soort formule die hij ooit geleerd had?
Hij had tenslotte nog nooit echt iets moeilijks meegemaakt.
Het was hem tot dan toe allemaal erg voor de wind gegaan, voor zover wij dat lezen.
Dus ja, dan heb je ook geen doorleefde eigen antwoord op zoiets onverwachts, zulk diep verdrietig nieuws.

7.
Maar dit is nog niet Jobs laatste woord; er is nog meer te zeggen.
Er komen nog 41 hoofdstukken Job.
En daarin ontmoeten we ook nog een andere Job..
Soms zijn de vragen te veel en te groot.
Dan is het al een wonder dat je overeind blijft.

En achteraf zeggen mensen dan; ik begrijp het nog steeds niet.
Ik ben, denk ik, overeind gehouden…
Niet alleen gebleven, maar ook gehouden!
Midden op dat slagveld van al die vragen.

En daar hoor je dan, gefluisterd soms, toch weer die naam van de Ene.
Als een naam die zich niet lam laat slaan.
Die Naam die ruim 40 hoofdstukken de tijd neemt om bestormd te worden met vragen en theorieën.
Kom maar op, die Naam kan wel wat hebben.

Amen