1 Samuël 28 en Lucas 22, 15 – 18                                            GWK, 3 november 2019

Thema van de preek:

Er staat in Endor niet een profeet op maar een profetes!


Gebed van de zondag

Op deze dag van gedenken Eeuwige, onze God, beseffen wij hoe belangrijk verhalen zijn.

In de verhalen leven mensen voor ons en met die verhalen leven wij.

Ze geven achtergrond en verdieping, uithoudingsvermogen en hoop.

Verhalen doen, kan opruiming houden in de warboel van ons hoofd en ons hart.

En verhalen kunnen boodschappen worden die ons vertellen over wat ons helpt en nieuwe energie kan geven.

Nu wij uit de Bijbel oude verhalen gaan lezen bidden wij om uw Geest die ons woorden en beelden kan geven, om de energie, uw energie in die verhalen te beleven.

Door Jezus Christus onze Heer.

Amen.

 

Inleiding op de Bijbellezing

Vanaf september tot aan Advent lezen we in onze kerk elke zondag uit de verhalen over Saul en David, de eerste twee koningen van Israël.

Die verhalen spelen rond 1000 jaar voor Christus, in een tijd dat er voortdurend oorlog was tussen de Israëlieten en de Filistijnen.

Een koning moest dus vooral opkomen voor de veiligheid van zijn volk en het verdedigen tegen aanslagen en overvallen.

Waar kennen we dat toch van…veiligheidsrisico’s en terroristische acties…?

Het zijn oude verhalen, en ze zijn spannend, ruig soms, er komt veel geweld in voor, maar het zijn bovenal verhalen over mensen die we goed herkennen als we via die verhalen naar onszelf kijken.

Maar ze zijn vooral opgeschreven om ons iets over God en over het geloof in God door te geven.

Hoe gaat God met zijn mensen om en hoe gaan mensen met God, met het geloof om?

Dat is de lijn die onder de oppervlakte van de verhalen speelt.

In de verkondiging, de preken, proberen we steeds om die lijn op te diepen.

Over het verhaal dat we vandaag lezen heb ik met twee groepen Bibliodrama gespeeld: we hebben ons proberen te verplaatsen in de personen die in het verhaal een rol spelen.

Dat heeft me geholpen bij het ontdekken van de verhaallijn onder de oppervlakte van het verhaal.

 

Het verhaal voor vandaag is een duister verhaal.

Het heeft wel wat Halloween-achtigs, het speelt zich af in de nacht, het gaat over angst en dood, het is wat spookachtig en het lijkt over griezelige, duistere zaken te gaan.

Maar er loopt een lijn van licht door het verhaal.

Mooi licht, uit een onverwachte hoek.

 

Anja leest 1 Samuël 28 en nog een paar verzen uit het Evangelie volgens Lucas, met woorden van Jezus aan het eind van zijn leven, over gedenken en gedachtenis.

Tekst: 1 Samuël 28, 22

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

1.

Het is niet alleen de nacht die dit Bijbelverhaal zo duister maakt.

Het gaat ook over twee mensen, koning Saul en beoogd opvolger koning, David, die beiden op het dieptepunt van hun leven aangekomen zijn.

Diep in de goot, allebei aan lagerwal geraakt, door hun conflicten, door de omstandigheden.

David scheert langs het randje van hoogverraad als hij, op de vlucht voor Saul, zijn eigen land verlaat en zich schuil gaat houden bij de Filistijnen.

Koning Achis van de Filistijnen heeft hem zo in de tang dat hij David tot hoofd van zijn eigen lijfwacht wil maken.

Dienstnemen in het legen van de vijand: dat zou betekenen dat David nooit meer koning van Israël zou kunnen zijn.

David is een kandidaat-koning op het randje van landverraad.

 

Saul moet zijn volk weer verdedigen tegen een aanval van de Filistijnen maar is totaal in de greep van de angst.

Radeloos, redeloos, reddeloos.

 

En over Samuël, de profeet, die namens God zowel Saul als David tot koning heeft gezalfd, lezen we nog eens dat hij overleden is.

Saul kan Samuël niet meer om raad vragen zoals hij gewend was.

 

2.

Nou was het toen Samuël nog leefde ook niet altijd eenvoudig geweest tussen Samuël en Saul.

Saul vroeg Samuël dan wel om raad, maar deed ondertussen toch geregeld wat hij zelf wilde.

Dat had grote spanningen gegeven tussen Samuël en Saul.

En misschien daarom wel had Saul, toen Samuël eenmaal gestorven was, alle geestenbezweerders en waarzeggers verboden.

De stem van Samuël, de stem van de oppositie tegen Sauls eigengereidheid, de stem van God dus ook, moest definitief het zwijgen worden opgelegd.

En nu wordt Saul geconfronteerd met de gevolgen van zijn besluit.

Hij is alles waarmee hij koning kon zijn kwijtgeraakt; hij is zijn besef van roeping kwijt, zit gevangen in zijn angst, zijn zelfvertrouwen is weg, en als hij steun zoekt bij God of bij priesters met orakelstenen, in gebed, in dromen… dan blijft het nacht, stikdonker.

God is onbereikbaar geworden.

Of is Saul zelf onbereikbaar geworden, verstikt in zijn eigen angst en desolaatheid?

 

Saul wil nog één keer Samuël raadplegen en laat zijn dienaren een vrouw zoeken die de geest van doden kan raadplegen.

Het zal onmogelijk blijken om via die weg de stem van de profeet, de stem van God te horen.

 

3.

Even terzijde: het gaat hier over iets heel anders dan wat mensen mij vaak vertellen over dat ze nog ‘praten met de overledenen’.

Dat kan gaan van: ‘Ik denk nog regelmatig bij mezelf;  wat zou mijn man of mijn vader, mijn moeder hierover gezegd hebben?’ via ‘Wat zou mijn broer in dit geval gedaan hebben?’ tot: ‘Ik praat soms gewoon alsof mijn man nog in de kamer is of ik zeg iets tegen de foto van mijn vrouw, en dan is het alsof ik hem of haar iets terug hoor zeggen. Want dan weet ik natuurlijk wel hoe hij of zij over bepaalde dingen dacht’.

 

Dan zijn we in gesprek met hoe we de overledenen in onze herinnering hebben bewaard, dan gaat het over gedachten die je ooit met elkaar deelde, de wijsheid die je van hen hebt meegekregen, de humor die helpen kan om dingen te relativeren.

Het geloof of het vertrouwen, het optimisme van hen die er niet meer zijn, kunnen ons soms zomaar nog inspireren.

 

Dat hoort bij gedenken, bij gedachtenis bewaren: communicatie in je hoofd of in je hart, de gevoelsband met hen die je in je meedraagt.

Een wolk van getuigen om ons heen…

 

4.

Om goed te kunnen gedenken is goed afscheid nemen ook zo belangrijk.

Ook al om te beseffen dat je dingen die schuurden, moeilijk waren, conflicten veroorzaakten achter je kunt laten.

Ik wijs in afscheidsdiensten nogal eens naar het kruis achter me, hier in de muur van de Groene Kerk.

Het kruis als het teken van een leven dat vastgelopen leek te zijn in frustratie en mislukking, maar dat als ‘leeg kruis’ verwijst naar de opstanding, naar het licht van een nieuwe morgen, naar licht waarmee we weer verder kunnen.

Het kruis als een plek waar we alles wat donker was, verdrietig maakte, boos of teleurgesteld, alles wat onaf, onvoltooid gebleven is, achter ons te kunnen laten en dan goed of beter verder kunnen gaan, bij het licht van de Paaskaars.

 

5.

Nog even terug naar koning Saul.

Hij is inmiddels, midden in ‘zijn’ nacht, aangekomen bij de vrouw in Endor die geesten zou kunnen oproepen.

Eerst weigert ze haar ‘bijzondere gaven’ in te zetten.

Maar als Saul haar onder druk zet ziet ze toch iets uit een andere wereld.

Wat ze ziet verwijst naar een wereld van goden; iets mysterieus.

Als Saul doorvraagt; wat zie je… dan krijg je het gevoel dat het niet zo zeer meer gaat om iemand uit een andere wereld, maar meer om de gestalte die de verpersoonlijking is van Sauls eigen angst.

De vrouw ziet een oude man in een mantel…

Dan weet Saul het al, dat moet Samuël wel zijn. Kan niet anders…

En Samuël belichaamt voor Saul zijn falen, zijn angst, zijn mislukking.

Dat is dan ook het enige waar ‘deze Samuël’ over spreekt.

Dat is geen profetentaal meer, maar dit is de verpersoonlijking van alles waar Saul onder gebukt gaat.

Dat gaat slecht aflopen, dat voel je wel aankomen.

Als deze gestalte van Sauls angst is uitgesproken ligt Saul al als dood op de grond.

Het licht gaat definitief uit.

 

6.

Maar dan…

Dan komt die vrouw naar voren.

Van die vrouw hebben mensen van alles gemaakt, een weduwe, een obscuur mens, een toverkol, een heks…

Maar ze gebruikt voor zichzelf een heel andere aanduiding.

Ze noemt zichzelf een dienstmaagd.

Ze had zich eerst al tegen het verzoek van Saul verzet.

Ze had door haar intuïtie al begrepen dat ze met Saul zelf te doen had.

En nu gebruikt ze het woord dienstmaagd voor zichzelf.

Datzelfde woord gebruikte Maria de moeder van Jezus bij de aankondiging van de geboorte door de engel Gabriël, toen ze zich openstelde voor Gods nieuwe inzet in de geschiedenis.

De vrouw in Endor zegt: koning Saul, luister nu eens naar mij, uw dienstmaagd.

 

En ze zet hem brood voor en slacht het gemeste kalf.

Nou niet vragen of ze daar wel tijd voor had, voor het einde van de nacht.

Nee; dat brood is het brood dat de Israëlieten aten als ze de bevrijding uit de nacht van de slavernij van Egypte herdachten.

Het is het brood dat de profeet Elia kreeg voorgezet door een engel toen hij totaal gefrustreerd en uitgeput zijn opdracht aan God terug wilde geven.

Ik wil geen profeet meer zijn, ik kan het niet meer, het wordt toch niks!

Dan krijgt hij brood, om weer verder te kunnen; zonder brood zou de reis te zwaar zijn.

En het gemeste kalf wordt ook geslacht in het verhaal van Jezus over de teruggekeerde zoon, om zijn thuiskomst te vieren.

Die zoon die ‘dood’ was en weer levend geworden.

 

7.

De opgeroepen gestalte van Samuël staat symbool voor Sauls falen.

De vrouw in Endor helpt Saul weer op de been met hartelijke gastvrijheid die ons aanspreekt via de Bijbelse symboliek van brood en een gemest kalf.

En wat gebeurt er met Saul?

Hij staat weer op en is klaar voor de terugreis.

Hij lag voor dood op de grond, maar de vrouw helpt hem overeind en brengt hem weer in zijn rol, zijn roeping als koning van Israël.

Hij gaat terug om weer voor het volk dat aan zijn hoede is toevertrouwd, te vechten.

De vrouw neemt de profetenrol van Samuël over en stuurt een koning op pad.

Haar praktische ondersteuning van Saul maakt haar tot een soort profetes.

Dat is heel wat anders dan een heks!

Via haar komt er licht in de donkere nacht van Saul en zijn volk.

 

8.

We lazen ook over Jezus, die aan het eind van zijn leven brood nam en dat uitdeelde aan zijn discipelen.

Met de opdracht om Hem te blijven gedenken, juist wanneer de reis door het leven te zwaar zou worden.

Het brood en de wijn van die Maaltijd met de Heer zijn het symbool geworden van Jezus’ én onze opstanding.

Verdriet, frustratie, gemis, boosheid, teleurstelling, falen, onderdrukking en slavernij / verslaving hoeven niet het laatste woord te hebben.

Eerst maar eens eten; gastvrijheid van die vrouw in Endor, gastvrijheid van Jezus genieten en weten dat je er (weer) mag zijn.

Wij zullen als gemeente die Maaltijd van de Heer vieren op 24 november aan het eind van deze gedachtenismaand en vlak voor het begin van het nieuwe kerkelijk jaar, vlak voor Advent.

 

Jezus gedenken, onze overledenen gedenken; het is er vooral opgericht om ons terug te brengen bij onszelf, bij onze roeping, bij ons leven en samenleven.

Gesterkt door de gedachtenis, met al die ‘mensen van voorbij’ bij ons, met profetessen en God zelf in onze rug, valt er nieuw licht op onze weg vooruit.

Amen.

 

Gedachtenis

 

We zullen nu de namen noemen van de leden van onze gemeente die gestorven zijn tussen 1 oktober 2018 en 30 september 2019.

Ds. Rian Veldman en ik zullen elkaar afwisselen bij het noemen van de namen.

Na elke naam steekt de ouderling of de diaken een kaars aan met het licht van de Paaskaars.

 

Het noemen van de namen wordt ingebed in het zingen van lied 199.

Het eerste gedeelte van dat lied wordt driestemmig gezongen door Netty Moolenaar, Marleen van Waveren en Christiaan Winter.

Daarna zingen wij als gemeente het refrein

Dan noemen we eerste 10 namen (RV begint) en zingen opnieuw eerste deel van het lied (solisten) en samen het refrein
Dan de volgende tien namen zingen opnieuw eerste deel en refrein
Dan de laatste vijftien namen en afsluiten met heel lied 199

Na afloop van de dienst is er voor u allemaal nog de gelegenheid om een gedachteniskaarsje aan te steken voor mensen die vandaag in het bijzonder in uw hart en in uw gedachten zijn.

 

Namen noemen

 

Wij gedenken wie zijn overleden in het geloof dat zij leven in het licht van Gods ogen. Laat zo hun gedachtenis ons tot zegen zijn.

 

Zingen: lied 199

 

Namen noemen, afgewisseld en af te sluiten met lied199

Zegen (Sint Patrick)

 

RIAN

De Heer zij voor ons

om ons de juiste weg te wijzen.

 

AART

De Heer zij achter ons

om ons te bewaren voor de listen van de boze.

 

RIAN

De Heer zij naast ons

om ons in de armen te sluiten,

om ons te beschermen tegen gevaar.

 

AART

De Heer zij onder ons

om ons op te vangen

wanneer wij dreigen te vallen.

 

RIAN

De Heer zij in ons

om ons te troosten

wanneer wij verdriet hebben.

 

AART

De Heer omgeve ons als een beschermende muur

wanneer anderen over ons heen vallen.

 

RIAN

De Heer zij boven ons

om ons te zegenen.

 

AART

Zo zegene ons de drie-enige God,

Vader, Zoon en Heilige Geest.

 

RIAN

Nu, vandaag

en tot in eeuwigheid