Gemeente die Jezus lief is,
vandaag ben ik alleen al helemaal blij, omdat de collecte straks voor Exodus is. Voor wie dat niet weet, dat is een begeleid wonen project voor ex-gedetineerden, of liever gezegd, mensen die vrijgekomen zijn na hun straf uitgezeten te hebben. Ze kunnen er zelfs nog in hun straftijd zitten en toch al een kans krijgen daar. In de 16 huizen die Exodus door het land heen heeft. Alles bij mekaar een spotgoedkoop project, in die zin dat het weinig kost, waar die vrijgekomenen een kamer hebben, hun leven kunnen opbouwen, naar een leerschool voor wat ook gaan, enkele werkgevers garanderen een baan als ze het programma dorlopen kunnen, en vooral, wekelijks vaak dagelijks iemand bij zich krijgen die hen helpt met schulden, herstellen van hun relaties met vrouw en kinderen én er wordt aan zingeving gedaan. Al ga je maar op een vereniging..maar een kerk helpt ook. Een gezonde sociale omgeving, dan heb je je vroegere maten in het kwaad niet meer nodig.
Daar werken vraagt wat van je. Ik moet dan aan Jacob denken (nee, niet Jacob Korf die laatst in de Groene kerk het dak eraf liet gaan), Jacob was afgestudeerd theoloog maar vond geen gemeente. En werkte als begeleider bij Exodus aan de Overtoom in Amsterdam. Ik had daar ooit een bijbelkring en sprak hem vaak, collega’s die elkaar verstaan. Op een keer vertelde hij van Clarence en de piano. Clarence hadden we als justitiepastores ongeveer allemaal wel gesproken in het voorbijgaan. Clarence was zijn jarenlange verslaving aan alles wat je beter niet tot je kunt nemen te boven gekomen en hij had weer lust in muziekmaken. Dus had Jacob de diaconie van een Amsterdamse kerk lief aangekeken en een piano geregeld voor Clarence op zijn kamer in Exodus. Een week voordat ik Jacob sprak was het opeens stil in huis. Carence was teruggevallen. En had de piano verkocht om aan zijn herontdekte behoefte te kunnen voldoen.
“En wat doe jij dan, Jacob?” vroeg ik maar meteen zonder plichtplegingen. “Ik ben een rondje rond het IJsselmeer gaan fietsen”, zei Jacob. En toen meteen nog één. “En toen kwam Clarence vertellen hoe veel het hem speet. Is hij weer in de ontgifting gegaan. En ben ik weer bij een andere Amsterdamse kerk een piano gaan regelen. Wel een goedkopere dit keer”.
Jacob is intussen allang predikant ergens. Vast een hele goeie.
Want frustratiebestendigheid is waar je het van hebben moet in dit leven. Dat je tegenslagen aan kunt. Dat je er een weg mee weet als je dag- of nachtdromen niet uitkomen zoals jij wilt. Als je jezelf als mens tegenvalt. Als anderen, op je werk of in de kerk of op school of bij de Albert Heijn je voorbij lopen en niet zien staan. Als je druk op je voelt en de neiging krijgt het bijltje erbij neer te gooien omdat ze niet zien en erkennen hoe jij toch maar je beste best doet.
Als ik iets geleerd heb van al die mannen in detentie en vooral daarna dan is het dat.
Heb je meegekregen of ontdekt hoe je als was het maar een beetje bestand kun zijn tegen tegenvallers in je leven, dan heb je 100 keer meer kans om iets van je leven te maken.

En wat is nou een betere plek om dat te leren dan een kerk?
Daar hoor je elke zondag en als je wilt ook door de week verhalen van en over mensen, uit die bijbel die hier openligt, die de één na de ander geen heiligen blijken.
Hoe groter hun naam, hun dieper hun val vaak. Abraham, ons aller vader, blijkt een nogal dubieuze smoesjesverkoper, als hij in Egypte komt en de Farao zijn Sara begeert, om het nog even erger te maken als diezelfde Sara geen kind meer verwacht ondanks de belofte en haar laat regelen dat hij dan maar tot de slavin Hagar ingaat. Om die zodra het even kan de woestijn in te sturen met hun beider zoon Ismaël. Dat is vragen om moeilijkheden waar we nog steeds last van hebben, vooral de Palestijnen van Ismaël en de Joodse kinderen van Izaäk.
En Mozes, die in al zijn Egyptische prinselijkheid een man vermoordt? Ja, “ik kan niet tegen onrecht”, dat heb ik in de bajes vaker gehoord van mannen die hun cel of een ander verbouwd hadden en in de ISO zaten. Ik weet er niet veel die in hun jonge leven een ander mens doodgeslagen hebben en die dan nog het vertrouwen van niet alleen de Eeuwige maar ook van een heel volk krijgen.
Om van Jakob, de hielenlichter met zijn linke bedrog van zijn broer maar te zwijgen, en al helemaal van David, die als hij eenmaal de gedroomde koning is zich de vrouw toe-eigent die hij ziet baden, haar zwanger maakt en daarna de te verwachten verwikkelingen met bedrog en uiteindelijk moord op haar man oplost.
En zo kunnen we nog wel even doorgaan tot in het Evangelie, met leerlingen die ook al lopen ze de hele dag met Jezus mee (en dan zouden wíj het wel weten!) hem steevast verkeerd begrijpen, hem voor een ander houden met Petrus aan kop, die de plank in al zijn rotsvastigheid tot het bittere eind misslaat.
Maar wij blijven Abraham onze vader noemen, we zingen alle psalmen van David hier elke zondag en op die Petrus heeft Jezus zijn kerk gebouwd.
Zo’n kerk als de onze hier is daarom dé plek om het leven te leren. Van de verhalen van mannen en vrouwen (trouwens, die vrouwen doen ook nogal vreemde dingen, Sara, Tamar, Rachab, Ruth, maar ze redden er de geschiedenis van de belofte mee en zij heven nooit door berouw en as op hun hoofd heen), van mannen dus die zich schuldig maken aan misdrijven waar u en ik niet van durven dromen – tenminste, ik heb niemand van de mannen hier in Me#Too horen noemen, toch? Valt dat even mee? – al die mannen zijn door de Eeuwige behoorlijk in hun nekvel gegrepen en hebben wat medicijnen uit de hemelse apotheek door hun keel gekregen. Geduld leren en toewijding, schapen en geiten hoeden vooral vaak, leren uit te houden wat niet prettig voelt, knokken met God zelf bij een beek, noem maar op, tot Jezus’ oneindig liefdevolle en even stevige aanpak van laffe Petrus: “Zeg eens, Petrus, heb je me lief, méér dan alle anderen?”. En dan 3 keer.

Dat betekent allemaal meteen ook, dat de kerk een plek is waar je met mensen samen komt, die je niet hebt uitgekozen. Dat lijkt bij de koffie in deze of de Groene kerk wel eens anders, dan is het wel net en reünie van oude bekenden, maar het blijft een plek van mensen die mekaar niet uitkiezen. We noemen elkaar, ook al vinden we dat niet meer modern, zusters en broeders. Heel goed, want we zitten hier niet omdat we vrienden van elkaar zijn of moeten zijn. Wat dat betreft is de kerk net een Huis van Bewaring: je zit opeens samen met mensen met wie je normaal gesproken nooit je leven zou delen. In een bajes heb je dan nog het voordeel dat je er vrij snel achter bent wat ieder op zijn kerfstok heeft, de zonden zijn aan ieder te zien en dat maakt…….bescheiden. Tja, dat ontbreek er wel eens aan in een kerk, waar we het tegenwoordig niet graag over onze zonden en dus over ons tekort en gebrek en vlek hebben, terwijl dat toch zo heilzaam kan zijn.

Mijn professor in Praag. Pavel Filipi. Ik moest ooit van hem in Praag preken en logeerde bij hem. “Heb je ‘m af?” Vroeg hij laat op de avond. “Heb je die ene vraag gesteld die je dan stellen moet?” “HuH?” “Wat is de kern van het Evangelie”” dat wist ik: “Vergeving”, zei ik. “Juist”, zei Filipi. “En welke vraag stel je dan als je je preek klaar hebt”? “Huh?” “Nou, zei hij, dan vraag je: “Waar vergeeft deze preek mij”?

Er zijn geen succesvolle kerken. Een kerk is de plek waar zondaars zich verzamelen en uit hun midden één van die zondaars uitkiezen om de woorden van God in hun even levend te houden.

Nou brengt dat ook met zich mee, en dat is het 3e waarom een kerk zo’n goeie plek is om frustratie-bestendig te worden, dat, tenminste in een protestantse kerk, iedereen profeet is, iedereen evenveel recht van spreken heeft, iedereen het aanhoren waard is, ieder woord van iedere zuster of broeder een woord van God kan zijn.
Ga d’r maar aan staan. Als er natuurlijk ook impulsieve, emotioneel minder evenwichtige mensen het woord nemen, als mensen die zich in hun dagelijkse leven best tekort gedaan voelen hier in de kerk opeens wél baasje kunnen spelen, als zelfgenoegzame mensen anderen kwetsen met hun houding, als eigenzinnigen hun wil doordrukken.

Daarom wordt ik zo blij van de klassieke en ietwat romantische beelden uit de Engelse hymne “O Thou who camest from above”, waarmee we deze dienst begonnen zijn. Die zinnen, of God uit den hoge met zijn hemelse vuur mag neerdalen op, ik heb het “mean altar” maar vriendelijk vertaal met het armoedige altaar van mijn hart. Maar er staat eigenlijk, het armzalige altaar van mijn hart. En dat die enorme onuitwisbare vonk uit de hemel vanuit dat tekortschietende hart dan in bescheiden gebeden weer terug mag stijgen…en in een lofzang, zulke hymnen zongen wij met mijn moeder aan de piano elke zondag, na een jaar Amerika en een jaar Engeland. Dat heeft me toch meer gevormd, dan ik in mijn jeugd wilde weten.

Ik weet niet of het jou of u opgevallen is, maar die bijbelwoorden van Jesaja 8 die Pieternel voorlas zijn nogal vreemd om te horen bij de afscheidsdienst van een predikant: “11Toen greep de HEER mij bij de hand en hield me voor dat ik me anders moest gedragen dan dit volk”.

Nou, zó heb ik mijn roeping om dienst te doen in de PGO niet beleefd, hoor.
Dat zou wat zijn zeg. Wat moet je met die dominees die ten diepste, bewust of onbewust denken dat zij tegenóver de gemeente staan en hen een lesje te leren hebben waar ze zelf niet op komen?
Die angst, die zichzelf tot hoogmoed heeft opgewekt, alsof jij als dominee nog de enige bent die de waarheid hooghoudt, alsof jij de steen bent waar anderen over tot vallen komen?
Tja, dat is ook een manier om mogelijke frustratie van je af te houden: stoer doen, jezelf als een ik tegenover zij opstellen. Ik denk dan altijd maar aan die vlammende, maar o zo bange 16 jarige Lesley, duidelijk geboortig van de Antillen, die goed gelovig was opgevoed, maar vastzat in de jeugdinrichting. Als de deur van het stiltecentrum openstond omdat ik daar zat, barstte hij binnen. De ene keer riep hij: “Wie is die rechter man, wie is die psychiater, dat hij mij wat vraagt, man. Hij is mijn moeder niet!” Dan zei ik: “Kom zitten, wil je thee? En wat vraagt je moeder van je, dan?”. De andere keer stormde hij binnen en gromde met opgeheven vinger: “Al vallen er duizend aan mijn linkerzijde en tienduizend aan mijn rechterhand, tot mij zal het niet genaken”. Toch leuk als je je psalmen kent, 91 in dit geval. Dan zei ik: “Joh, kom zitten, wat is er zo erg?”
De wereld is tegen je. Of je gemeente waardeert je niet. Ik heb wel es een predikant horen vertellen hoe hij onder het gebrek aan waardering door zijn gemeenteleden leed. Gelukkig zei er toen op tijd een bevlogen collega: “Love them, or leave them”. Wat dat betreft zit u en jij trouwens goed hier in de PGO hoor, Aart en Iris houden echt van jullie.

Nou zegt de Eeuwige in Jesaja 8 er nog wel iets bij.
Hij zei: 12‘Noem niet alles een samenzwering wat zij een samenzwering noemen. Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt, heb er geen ontzag voor.
Kijk, dát is nou denk ik het enige waarin je als voorganger wel eens tegenover de gemeente mag gaan staan. Je niet mee laten slepen in de angst.
Wat zeggen alle engelen als ze, in de bijbel tenminste, de aarde raken en aan een mens verschijnen: “Wees niet bang”. Ja, je wilde het niet weten, maar zíj weten dat.
Achter zoveel wat bij ons misgaat zit angst.
Dat “ze” op een keer zien dat je niet zo interessant bent als je dacht, of zo kundig en ijverig, of zo empatisch en sociaal. Dat je door de mand valt. Dat je niet voldoet. Dat je niet meetelt.
Om maar te zwijgen van al onze angsten, dagelijks hevig gewekt door welke media ook, dat onze wereld te gronde gaat. Of voor welke club ook, die aanslagen zou kunnen plegen- daar mag een voorganger best even doen alsof hij of zij door de deuren van de hemel naar buiten komt en tegen álles in preken: ‘Wees niet bang, ik breng u en jou een goede boodschap”.
En eventueel, als dat helpt, die prachtige kreet van Jesaja er achteraan zeggen: “De Eeuwige, de Heilige hém kun je vrezen, Hij is de enige die je angst verdient”. Als je toch bang wilt zijn, wees dan maar bang voor God.
Als je dat durft te zijn kon je wel eens ontdekken, dat je alleen maar met liefde te maken krijgt.

Er is nog een andere manier om je frustratie, je mogelijke teleurstelling in hoe je leven gelopen is, te boven te komen.

Dat doen de oude Simeon en Anna voor.
En dat heb ik pas begrepen in gesprekken met levenslang gestrafte mannen.
Mannen die nooit meer vrij zouden komen. En wat betekent je leven dan nog?
Als er niks is wat je nog ergens voor doen kunt?
Als al die dingen die in ons gewone leven téllen, dat je iets bereikt, een prestatie levert, een kunt in je toekomst hebt waar je naar toe werkt telkens een doodlopende straat lijkt?
“Waarvoor leef ik dan nog?”
O ho, riepen de pater en ik dan, hoezo?
Je kunt ook zijn als de monniken: je leeft niet meer vol plannen naar een toekomst toe, maar je verdiept je leven met de dag. Je kunt bidden gaande houden, jij hebt er de tijd voor. Je kunt bidden voor mensen en in plaats van mensen die daar niet aan toe komen, of die onverschillig zijn, of zo bezeten van hun leven dat ze niet aan bidden denken.
Je kunt vrede brengen door mensen brieven te schrijven, door mensen op bezoek te nodigen en hen van vrede te vertellen, van hoe je rust vinden kunt door moeite en pijn en grote schuld heen.
Je kunt als een wachter op de muur zijn, die de boodschap doorgeeft als een wachtwoord: vertrouwen op God is genoeg, vrede kun je vinden; God heeft het je in de schoot geworpen. Je kunt de verwachting gaande houden.
Zoals Simeon en Anna hun hele leven maar één plek hadden: de tempel. Maar één brandpunt in hun leven: het huis van God. Om daar de belofte dagelijks tot zich door te laten dringen. Om daar hun verwachting voor de wereld, de mensen, kinderen, armen, vrouwen, zwervers, hulpelozen, stemmelozen, ongehoorden, verwarden, lastpakken, weduwen, kinderlozen, moeders, vaders gáánde te houden door die te doorléven. Als het grootste in hun leven boven alle dagelijksheid uit.

En zij, vertelt het Evangelie vandaag, krijgen het kind in hun armen gelegd.
Want zij hebben al die tijd van hun leven, dag aan dag, vooral hun handen open gehouden.
Misschien kun je dat pas aanvoelen als je ouder wordt, of met pensioen gaat en alle drift en stress van presteren los mag laten: zoals grootouders zo fijn zijn omdat ze niks meer met dat kleinkind hoeven, dan er een leuke band mee te onderhouden.
Een kind in je armen, dat je aangereikt, gegéven wordt. Een kind dat alles wat je aan goeds voor de wereld van mensen hopte wáár maakt, als het in je armen ligt.

Zo komt Christus tot leven in ons leven.

Die mij getrokken uit de schoot, mij mens gemaakt hebt en geëigend, mijn ogen wende aan het licht, mijn voeten zette dat ik stond, mij hebt doen weten dat ik gaan kon, dat ik zou komen waar gij zijt. Die als ik neerzit langs de kant, van weg en omweg moe en dorstig, mij overschaduwt met uw Naam, die toen ik neerlag in het stof mij hebt omgeven met uw duister dat geen gedierte mij verslond, die ongezien mij trekt tot U, U zal ik ongezien vertrouwen, laat mij niet over aan mijzelf.
Die ongezien mij trekt tot U, U zal ik ongezien vertrouwen, laat mij niet over aan mijzelf.

U danken wij, God die Gij zijt, dat Gij ons mens’lijk wilt ontmoeten.

In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Christiaan Donner tijdens afscheidspreek