Gemeente van Onze Heer;

Onze tekst van vanmorgen komt uit een boek, dat bijna niemand helemaal heeft gelezen en dat in de Bijbel een uniek genre vertegenwoordigt: de politieke autobiografie. Nehemia is de Femke Halsema van toen, de periode na de Babylonische ballingschap van het volk Israël. De Joden mochten terugkeren naar Jeruzalem en ze mochten hun eigen geloof weer belijden. Maar de tempel van Salomo was van de aardbodem weggevaagd en de stad was een puinhoop, troostelozer dan Aleppo nu. Gebrek was er aan alles: water, voedsel, onderdak.
Rondom loerden vijanden, die geen boodschap hadden aan het experiment van een nieuw Israël als een politieke en economische concurrent in een toch al zwakke regio.

Heel interessante stof voor historici, temeer omdat we over die periode maar heel weinig met zekerheid weten. Maar is het vijfentwintig eeuwen later nog geestelijk voedsel voor ons, die proberen het flakkerende vlammetje van ons geloof brandende te houden? De samenstellers van ons leesrooster denken kennelijk van wel – maar ik moet bekennen, dat ik er een zwaar hoofd in had, toen ik aan de voorbereiding van deze dienst begon.

Na veel vruchteloos piekeren vond ik opeens een aanknopingspunt. Zo’n politieke biografie geeft je meestal een goed inzicht in de spanning tussen ideaal en werkelijkheid Die spanning is van alle tijden, maar als een hoofdrolspeler het verhaal zelf opschrijft, wordt ze meestal een beetje vergoelijkt: het ideaal blijft zuiver, maar de weerbarstige praktijk vraagt vaak om compromissen, ook als je je daar eigenlijk voor schaamt.

Heel opvallend: die uitvluchten ontbreken in Ezra en Nehemia, die oorspronkelijk één boek vormden, tot ze negenhonderd jaar later in de Latijnse bijbelvertaling en in alle vertalingen daarna gescheiden werden. We worden goed ingelicht over de logistieke en politieke problemen bij het bouwen van een nieuwe tempel en een verdedigingsmuur rondom de kwetsbare open stad, maar de volle nadruk ligt op het allermoeilijkste karwei: het hervormen – misschien moet je zelfs zeggen het opnieuw scheppen – van Israëls geloof in de Ene God, die liefheeft, oordeelt en redt van hopeloosheid en ondergang.

Toen ze gedeporteerd werden naar Babylon, raakten ze alles kwijt wat hun ooit zekerheid en energie had gegeven: hun vrijheid, hun bezit en vooral dat besef, dat voor ieder mens onmisbaar is: dat je er mag zijn, dat je bestaan geen blind toeval is, maar een zin en een doel heeft. In het begin redden ze zich met het terugverlangen naar vroeger. Jeruzalem werd de icoon van dat verlangen: de rokende ruïne werd zo tot een toekomstvisioen, een plek waar alle tranen gedroogd werden, waar niemand honger had, waar geweld en onrecht voorgoed hadden afgedaan.

De jaren gingen voorbij. Bijna iedereen sprak nu Aramees in plaats van Hebreeuws, zodat ze Gods blijde boodschap niet meer zelf konden lezen. Je kwam niet meer bij elkaar in de tempeldienst en het ideaal van D’66 werd bereikt: het geloof verdween achter de voordeur. Daar kwijnde het op den duur – onvermijdelijk, want het ging immers niet om het in stand houden van particuliere familie-idealen, maar om de dienst aan de Schepper van hemel en aarde en die kun je niet opsluiten, niet in onze theologische begrippen en niet in de kerk of je huiskamer.

En dan is er plotseling een kans en een opdracht: hervorming tot een zuiver geloof. In Nehemia 8 lees je het ontroerende verhaal, hoe heel het volk bij elkaar kwam. Ezra had een houten podium laten maken, klom erop en liet de mensen het boek van Gods Wet zien. Iedereen stond op, toen hij het opendeed en toen hij hardop ging voorlezen, barstte de menigte in tranen uit. “Niet huilen” zei Esra. Want de wet verplicht, maar hij is een blijde boodschap. Geloven is een feest, geen juk op je schouders. En zowaar, dat werkte. Iedereen ging eten en drinken. In Nehemia’s eigen woorden: Ze deelden alles met elkaar en maakten er een groot en vrolijk feest van. Ze hadden begrepen wat hun was verteld.

Een feest, maar ook een verzoeking. Iedereen, Jood of niet, werd uitgenodigd om mee te doen. Maar als je daarvoor bedankte, werd je de stad uitgegooid, net zoals de vreemde vrouwen en hun kinderen, die met een Jood waren getrouwd. Etnische zuivering dus. En de spontane vreugde over Gods Wet werd al gauw iets voor een aparte feestdag, Simcha Tora. Weer later werd de Wet een wetenschap voor vakgeleerden, die honderden nieuwe voorschriften eruit afleidden, zodat gewone mensen er geen raad meer mee wisten en Jezus als een goddeloze nieuwlichter werd gezien, omdat hij een grote schoonmaak hield in al die haarkloverij.

Hoe gemakkelijk het spel van de godsdienst een bedreiging wordt voor oprecht geloof – dat is een probleem waar ik straks nog op terug moet komen, omdat het, meen ik, nog net zo actueel is voor ons als voor Nehemia en zijn tijdgenoten.

Maar eerst moet ik u nog attent maken op een andere verrassing in deze voor moderne mensen zo ontoegankelijk ogende tekst. Nehemia en de zijnen wilden geloof laten ontvlammen in de harten van mensen, die nauwelijks meer iets wisten van wat dat is: geloven als een werkwoord, als een levenshouding. Ze moesten uit hun kennis van Gods omgang met zijn volk een kernthema kiezen en in die keuze schuilt de tweede verrasing.

Alle personages uit die bonte godenwereld, die Israël in Babylon op elke straathoek was tegengekomen, waren personificaties van een belang of een idee. Ze waren net mensen: ze kwamen kortzichtig op voor hun eigen belangen. Als de oorlogsgod aan de beurt was voor een succesje, jammer dan voor de godin van de landbouw, want dan werd de oogst vertrapt en verbrand en zij moest machteloos toezien, hoe haar vereerders omkwamen van de honger. Je kon ze omkopen met een extra cadeautje, die goden, alsof ze corrupte ambtenaren waren en vooral: ze wilden je je vrijheid afpakken en je onderwerpen aan hun deelbelangen, als trumpiaanse zakenlui. Macht was hun meest geliefde speelgoed.

Die al te menselijke eigenschappen kon je niet gebruiken voor de Ene, de Euwige. De hervormers hadden andere keuzes. De koning, die recht en gerechtigheid brengt. De hemelse vader, die steunt waar het kan en tuchtigt als het moet. De Wijze, die de mensen beter begrijpt dan ze zichzelf begrijpen.

Maar wat kiezen ze? Geduld. Onze wereld is nog gewelddadiger, het onrecht is nog gemener en het vergaren van als maar meer kapitaal nog smeriger dan toen. Het verschil is hooguit, dat het voor ons veel moeilijker is geworden om er de ogen voor te sluiten. Vroeger ving je vage geruchten op en een enkeling, die een verre reis had gemaakt vertelde erover – tenminste, als hij niet bleef zwijgen, omdat hij bang was niet te worden geloofd of omdat de herinnering aan al dat vreselijks hem monddood maakte. Tegenwoordig keren de krant, de radio en de televisie de vuilnisbak van de hele wereld iedere morgen om op je keukentafel.

Bij mensen die proberen te geloven komt dan iedere keer dezelfde vraag op. Dat is al eeuwen zo. “God, als U er bent, waarom laat U toe, dat wij mensen dit allemaal doen? Waarom grijpt U niet in?” Onze tekst stelt die vraag niet. Maar ze geeft er wel een antwoord op. Dat horen we terug bij Dietrich Bonhoeffer, martelaar onder de Nazi’s. Hij leerde, dat je tegen de maan blaft, als je God op die manier zoekt. Je roept om een super-regelaar, die de gaten in ons bestaan dichtsmeert met een wondermiddel. Maar die God bestaat niet: hij is niet meer dan een uit nood geboren verzinsel. Als je echt een antwoord wilt, stel je vraag dan anders. Zeg: “O God, die ons alles hebt gegeven wat wij nodig hebben, terwijl wij altijd maar weer meer en anders willen, hoe is het in vredesnaam mogelijk, dat U ons niet verlaat, dat U nog steeds geduld met ons hebt?”

Op die vraag – de vraag naar zijn geduld – zwijgt God niet. Lees het verhaal van de wonderbare spijziging: Hij wil niet, dat honger mensen doof maakt voor het verhaal van zijn liefde, waarvan Jezus de belichaming is. Hij blijft ons wankelmoedige hart belegeren met zijn Geest, totdat het opengaat en ervaart, dat er meer te delen valt dan wij voor mogelijk hielden. Hij scherpt onze ogen om te zien, hoe sterk de zwakke krachten zijn, die vrede en recht tot stand brengen met nieuwe ideeën om te delen. En ja, dan troost hij ons ook met zijn geduld. Lees wat Bonhoeffer schreef op de Oudejaarsavond voor zijn executie. Het staat in ons Liedboek, lied 511:

Door goede machten trouw en stil omgeven, behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar, zo wil ik graag met u, mijn liefsten, leven, en met u ingaan in het nieuwe jaar.
In goede machten liefderijk geborgen verwachten wij getroost wat komen mag. God is met ons des avonds en des morgens, is zeker met ons elke nieuwe dag.

Stop. Ik moest nog op iets terugkomen, want anders wordt deze blijde boodschap weer het nieuwste zoethoudertje. Wil ze geloofwaardig zijn, dan is er ook nu een radicale reformatie nodig. In de kerk, in ons denken, in ons hart.

Zal die er komen? Als het aan de God van Israël ligt, wel. Maar hij rekent daarbij op ons. Daarom na een uitleg met veel meer vragen dan antwoorden nog één vraag. Aan mijzelf en aan U.

Wat durven wij op te geven aan vertrouwde beelden over God, aan routine en traditie in onze kerkelijk en persoonlijk leven, als die ons verhinderen, om betrouwbare getuigen te zijn van Gods geduld?

Als wij nu naar huis gaan met het vaste voornemen, om op die vraag een antwoord te zoeken en te vinden, dan weet ik één ding zeker: Geloven is een feest en als wij dat vieren, zijn wij gezegende mensen. AMEN