Orde van dienst
Genesis 32: 23 – 33 en Lucas 17: 11 – 19 RBK, 9 oktober 2016
Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,
1.
Kende u dit Bijbelverhaal over de worsteling van Jakob bij de Jabbok nog?
En hoe kent u het dan?
Hoe is het in uw herinnering blijven hangen?
Hangt de herinnering aan de naam van de rivier?
Jabbok, in het Hebreeuws klinkt dat als: plek van worsteling, van gevecht.
Of aan de naam Pniël, dat betekent gezicht van God; peni (gezicht) –el (God).
Of hangt de herinnering aan dit verhaal vooral aan de tegenstander?
Met wie worstelde Jakob eigenlijk?
Dat blijkt een heel ingewikkelde vraag te zijn.
Ik ga even een paar mogelijkheden (antwoorden op die vraag) langs.

2.
Eerste mogelijkheid is dat Jakob worstelde met God.
Als Jakob aan het eind van het gevecht, als het licht begint te worden en zijn
tegenstander weg wil, zegt:
Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent…
Dan is dat wel uitgelegd als: Jakob is in het gevecht gaan beseffen dat hij met God
zelf vecht.
En als het God zelf is, dan wil hij aan het eind van dat gevecht in ieder geval de
zegen van God krijgen.
Er lijkt wel wat te zeggen voor deze uitleg:
De Nieuwe Bijbelvertaling schrijft het ‘u’ in ‘tenzij u mij zegent’ weliswaar met een
kleine letter, geen hoofdletter, maar het woord God in de uitleg van de naam Israël,
even verderop wordt wel met een hoofdletter geschreven.
Voortaan zal je naam Israël zijn want: je hebt met God (hoofdletter) en mensen
gestreden en je hebt gewonnen…
En Jakob noemt die plaats dan Pniël: ik stond voor het aangezicht van God
(hoofdletter).
Maar deze uitleg levert wel problemen op.
Met God gevochten en gewonnen…
Hoe moeten we ons dat voorstellen in het Bijbelse denken?
En het gezicht van God gezien… kon Jakob dat dan wel?
Mozes kon het niet en de boodschap bij Mozes is; niemand kan het gezicht van God
zien en in leven blijven… zo heilig is dat gezicht van God.
God is niet op ons netvlies te vangen.
Het is nog maar helemaal de vraag of we dit verhaal kunnen lezen als: Jakob
worstelde met God (hoofdletter).
Het woord dat voor God gebruikt wordt is niet Gods heilige naam, Adonai, maar
elohim, en dat kan ook ‘godheid’ betekenen, met een kleine letter.

3.
Als het niet God zelf was met wie Jakob worstelde, wie was het dan wel?
Jakob worstelde met de Engel?
Eén van onze bekende dichters: Willem de Merode heeft daar een ontroerend
gedicht over geschreven.
Hij beschrijft het gevecht als wat er gebeurt nadat Jakob aan het eind van de dag, in
de stilte van de nacht zijn avondgebed gedaan heeft:
De worsteling.
Hij huiverde, toen hij gebeden had
En weder door de droge beek wou gaan,
Zag hij de een Engel vliegen langs de maan,
En vleuglings hield een schaduw hem omvat,
En boog hem achterover en hij viel.
Iets zachts, dat lángs zijn ogen borstelde,
Verblindde hem; hij sloeg en worstelde,
En sloeg, en blies in een gezicht, en viel
Met de Engel brandend om zich heen gewonden.
En in dien witten nacht heeft hij zijn zonden
Zo zeer beleden en zo zeer geboet,
Dat hij niet voelde hoe zijn heup verwrikte,
Maar om de zegen van den Engel snikte…
Toen hinkte hij den morgen tegemoet.
Het was volgens De Merode dus een gevecht met de Engel…
Met de vergeving van zijn zonden als de zegen.

4.
Daar de Merode raakt nog een diepere laag:
In die nacht heeft Jakob zijn zonden zo zeer beleden en zo zeer geboet…
Was het misschien vooral Jakobs gevecht met zijn eigen donkere kanten.
Met waar hij bang voor was, voor de confrontatie met zijn verleden?
Het nachtelijke gevecht vindt plaats vlak voor hij zijn broer Esau weer zou
ontmoeten.
Voor de wraak van Esau was hij ooit op de vlucht gegaan.
Hij had de dag voor deze nacht al grote verzoeningsgeschenken vooruit gestuurd om
Esau een beetje gunstig te stemmen.
Het land aan de andere kant van de Jabbok, een zijrivier van de Jordaan, was het
land waar hij zijn vader op zijn sterfbed had bedrogen.
Als ineens al die spoken van een verknoeid leven die je heel lang de kop in hebt
kunnen drukken in zo’n nacht de kop opsteken…
Dat kan ook een heftig gevecht zijn, een slapeloze nacht, woelen en worstelen tot het
licht wordt.
Wat kun je verlangen naar de zegen van het los kunnen laten, aan je eigen schaduw
voorbij kunnen komen!

5.
Daar krijgt de plek, die rivier weer meer betekenis van.
Rivieren zijn grenzen die je over moet steken, barrières die je moet overwinnen.
Bij de Jabbok huisden volgens het volksgeloof in die dagen demonen, de
riviergoden.
Bij het oversteken konden die het je knap lastig maken.
Zoals je bij iedere overgang naar een nieuwe situatie, naar een onbekende toekomst,
naar een land waar je de weg niet kent of waar rekeningen moeten worden
vereffend, de weerstand in jezelf moet overwinnen.
Het verzet of de angst, de neiging om om te keren, om te vluchten, je moet ze
bedwingen.
Demonen: mistige spoken zijn het die in de nacht opduiken uit de rivier of uit je eigen
onderbewuste, je schuldgevoel of angst.
Je wilt die tegenstander, die demonen, verslaan en de zegen van de moed
ontvangen: dat je bevrijd wordt van datgene wat je remt en verlamt.
Weg demonen!
Ik ben een gezegend mens!
Dan heb je geen vat meer op mij.

6.
Maar er zijn ook uitleggers die pleiten voor een meer realistische uitleg van de
tegenstander.
Niet de psychologische uitleg.
Blijkbaar wordt Jakob overvallen als hij alleen is.
In het donker: als het licht wordt wil de overvaller weer weg.
En de overvaller wil anoniem blijven; hij noemt geen naam.
Zou het een ‘mannetje’ van Esau kunnen zijn die erop uit gestuurd is Jakob alsnog
zijn straf brengen.
En als Jakob dan sterker is dan de vechtersbaas van Esau dan wil Jakob hem wel
laten gaan, maar dan wel met de zegen van de zege…
Dan moet hij wel eerst toegeven dat ze gevochten hebben op leven en dood en dat
Jakob heeft gewonnen.
Dat Jakob daarom mag blijven leven.
Dat moet de vechtersbaas, misschien wel namens Esau, dan beloven…

7.
Al deze mogelijkheden laat het verhaal open.
We weten niet wie de tegenstander is.
Wat we wel weten is dat Jakob met hem vecht.
En Jakob is helemaal alleen.
Bij al die mogelijke tegenstanders gaat het vooral om die eenzame man, in de nacht
zonder zijn vrouwen en kinderen, zonder zijn hebben en houden, teruggeworpen op
zijn allenigste zelf.
We voelen de machteloosheid, de wanhoop en de moed der wanhoop.
Wat moet er vaak gevochten worden.
Tegen demonen, tegen machten die groter zijn dan wij zelf, tegen systemen
waartegen je wel kunt protesteren, maar zou het ooit iets opleveren?
Vechten tegen politieke en economische machten die demonische trekken vertonen.
Vechten tegen je verleden, je beschadigde zelfbeeld.
Tegen je angst voor de toekomst, dat wat letterlijk of figuurlijk van binnen in je
knaagt, in je hoofd, je ziel, je lijf.
Vechten tegen beelden van God die je niet gelukkig maken, die je bang of boos
maken, met de hoop dat je de God die een zegen voor je is uiteindelijk zult
ontmoeten.
En je wilt niet opgeven, tenzij je er zegen aan over houdt.
Je wilt er sterker uitkomen.

8.
Een eenzaam gevecht.
In het hart van het christelijk geloof staat nog zo’n eenzame vechter.
Jezus; hij heeft gevochten met God en mensen, met machten en krachten.
En schijnbaar verloren, er ging een kruis door zijn leven en streven.
Totdat het licht werd op die Paasmorgen.
De zon ging op toen hij door de dood heen de overkant van de rivier bereikte.
Hij, de gezegende, kwam er sterker uit.
En hij, de gezegende, geeft ons de symbolen, de tekenen van zijn gevecht met God
en mensen, gebroken brood en geschonken wijn.
Want in de verbondenheid met zijn lichaam is er leven en toekomst.
Met zijn bloed in onze aderen hebben wij deel aan de Geest van de overwinning,
komen wij de demonen voorbij, hinkend misschien maar wel de toekomst tegemoet.
Amen.