Jona 1vs11-16 en 2 vs 1,2 en 11 en Matteüs 12 vs 38-41            GWK, 28 juli 2019

Doop van Noam Daniël Emerson Steketee

Artikel 4 van de Apostolische Geloofsbelijdenis:

Ik geloof in Jezus Christus… die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in het rijk van de dood


Inleiding op de lezingen

Vandaag gaan we verder met ons ‘zomer-project’ voor 2019 en 2020:

Twee maal zes diensten over de Apostolische Geloofsbelijdenis.

Die geloofsbelijdenis is een korte, ‘eenvoudige’ samenvatting van het christelijk geloof van al meer dan 1500 jaar oud.

We noemen de geloofsbelijdenis ‘apostolisch’ omdat hij nog terug zou gaan op de apostelen, de leerlingen van Jezus zelf.

Zo oud is die geloofsbelijdenis nou ook weer niet; hij heeft tijd nodig gehad om te groeien, er is aan geschaafd, toegevoegd en geschrapt maar zo rond 400 na Christus was hij er dan.

We noemen het ook wel de ‘twaalf artikelen’ van het christelijk geloof omdat er twaalf thema’s in aan de orde komen.

Wij kozen om per keer een artikel te behandelen, maar dat is een beetje ambitieus.

Zoals vandaag over het lijden sterven van Jezus; daar kun je wel veertig dagen over doen, en dus was het kiezen wat ik wel en wat niet aan de orde wilde stellen.

En bij het kiezen heb ik vooral gezocht naar wat ons vandaag raken kan.

 

Waarom doen we deze serie over de geloofsbelijdenis?

Eerlijk gezegd: voor ons als predikanten vooral uit nieuwsgierigheid.

Wat zeggen die oude woorden ons vandaag nog?

En hoe spreken wij over die twaalf thema’s met woorden van onze tijd?

Zeggen wij nog hetzelfde als toen maar dan met taal van nu?

Hoe wegen wij het belang van die thema’s?

 

Collega Rian Veldman heeft bij de eerste twee artikelen uitgelegd dat hij vooral wilde kijken naar hoe de Bijbelse boodschap doorklinkt in de belijdenis.

Die geloofsbelijdenis is niet zomaar belangrijk omdat het een oud document is dat we vanwege de eerbiedwaardige leeftijd maar moeten geloven.

Hoe zit het Bijbelse gedachtegoed verweven in de geloofsbelijdenis?

En daarachter zit weer de vraag die we steeds aan de Bijbelse teksten en verhalen stellen:

Hoe inspireert de Bijbel ons dan nu; wat roept de Bijbel op, waartoe dagen die verhalen over God en mensen mij, en ons samen als kerk, uit?

 

Dat is wat mij betreft vooral de vraag:

Waar word ik ‘blij’ van als ik de Geloofsbelijdenis lees of zing?

Niet alleen ‘blij’ blij, om te glunderen, maar wat steunt mij, wat geeft mij houvast, inspiratie en troost in het leven, in de wereld van alledag?

Kan ik eraan groeien?

 

Vandaag doen we dat ook nog vanuit de gezichtshoek van de doop.
Noam Steketee, wordt gedoopt en hij krijgt daarmee een traditie mee waarin die geloofsbelijdenis ook een plek heeft.

Wat maakt die traditie waardevol voor hem, wat heeft de belijdenis zijn ouders en ons allemaal nog te zeggen?

 

Bij de doop gaat het natuurlijk ook over de ‘waterverhalen’ in de Bijbel.

David en Kimberley kozen het verhaal van Jona, de zee, de vis en de redding van Ninevé met al haar mensen en dieren.

 

Jezus kende het verhaal ook en sprak erover in verband met zijn lijden en sterven.

We gaan kijken of we dat wat scherper kunnen krijgen

 

Pieternel leest eerst uit Jona.

Jona is een profeet die van God opdracht heeft gekregen om de mensen van de grote stad Ninevé te gaan zeggen dat ze anders moesten gaan leven.

De manier waarop ze nu met elkaar en met de dieren omgaan is bezig uit de hand te lopen.

Dat moet en dat kan anders en Jona moet hen daartoe oproepen.

Maar Jona heeft geen zin en vlucht met een schip, de zee op, zo ver mogelijk weg van Ninevé, ver weg van zijn roeping en daarmee ver weg van zijn eigen menselijkheid ook.

Hij laat Ninevé zitten; hij denkt: gaan jullie je ondergang maar tegemoet… en dan breekt de storm los over zijn eigen leven.

Wanhoop op zee en aan boord van het schip…

 

Pieternel leest uit Jona en Matteüs.

 

Thema          Geleden, gestorven, begraven, neergedaald in het rijk van de dood: God geeft niet op!

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

1.

Vandaag dus over: Ik geloof in Jezus Christus… die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in het rijk van de dood.

We zijn bezig met wat ‘geloven in Jezus’ voor ons betekent.

Dat gaat niet alleen over: aannemen dat hij er ooit geweest is, dat hij bestaan heeft.

Dat laatste staat wel vast ook al heeft Jezus de boeken van de grote wereldgeschiedenis van zijn tijd niet gehaald, maar er zijn voldoende historische bronnen om aan te nemen dat hij ooit in Palestina rondliep.

Geloven in Jezus zegt vooral iets over hoe wij onszelf zien.

Hoe wij naar onszelf en naar de wereld kijken.

Geloven is ook levensbeschouwing of wereldbeschouwing.

Dat bepaalt hoe je in het leven wilt staan, wat je doet en wat je laat.

Waar we voor gaan, wat we aanpakken en waar we halthouden, waar we met onze fikken vanaf blijven, onze grenzen kennen.

Op wat voor brandstof loopt onze motor, wat motiveert ons?

En wie zit er aan het stuur?

 

Over dat soort dingen gaat de geloofsbelijdenis.

Het is niet zomaar een traditie, alleen maar oude doos.

Als je die doos opendoet wordt aan ons gevraagd waar we staan.

En daar worden we niet minder van.

Daar word je alleen maar meer mens van.

 

2.

Op het geboortekaartje van Noam schreven David en Kimberley een soort geloofsbelijdenis.

Ze namen de woorden van Hanna over, de moeder van Samuël.

Het had bij Hanna nogal wat voeten in de aarde gehad voordat ze Samuël kreeg en als ze dan met Samuël in de tempel, het huis van God, komt, zegt ze:

Om deze zoon heb ik gebeden, en de Heer heeft mij gegeven waarom ik heb gevraagd!

David en Kimberley kozen voor de Engelse vertaling:

For this Child I have prayed and the Lord has granted the desire of my heart.

Dat is inderdaad sterker vertaald:

The desire of my heart, het gewenste dat ik gewenst heb, staat er in de originele taal, het Hebreeuws.

Gewenst met heel je hart.

Diepe wens.

 

Dan sta je hier vandaag niet zomaar…

Niet van: oh ja, we hebben een nieuw huis en we hebben ook maar een kind genomen.

Nee, je zegt iets over je levensbeschouwing.

Hoe je dit nieuwe leven wilt zien, hoe je naar jezelf wilt kijken als vader en moeder.

Daar heb je ideeën over, die komen ergens vandaan, daar zit jezelf in, die zeggen iets over jouw motor en over waar je op sturen wilt.

 

3.

Hoe kan het jullie helpen om daarbij te zeggen; ik geloof in Jezus Christus?

Vorige week heb ik uitgelegd (de tekst van de preek komt op de website) dat er twee bezwaren zijn aan te voeren tegen de opzet van de Apostolische Geloofsbelijdenis.

Die geloofsbelijdenis doet namelijk net of het geloof in Jezus begint bij ‘het begin’, de conceptie en de geboorte van Jezus, maar daar is het geloof niet begonnen.

Het is begonnen na de opstanding.

Pas toen bleek dat het leven van Jezus niet tevergeefs was geweest, dat zijn aandacht voor mensen, zijn inzet voor gerechtigheid, zijn liefde, zijn manier van leven voor en met zijn naasten niet door zijn dood aan het kruis, door de veroordeling door wereldlijke (Pontius Pilatus) en godsdienstige (Farizeeën en Schriftgeleerden) machten te stoppen viel.

Ze hadden hem weg willen hebben, op willen ruimen maar dat was niet gelukt!

Dat Hij er nog was, dat zijn leven door de dood was heen gebroken, toen begon het geloof in hem pas echt te groeien.

 

Daarmee was ook het tweede bezwaar tegen de opzet van de geloofsbelijdenis ‘ondervangen’: namelijk dat het leven van Jezus schijnbaar wordt overgeslagen in de Apostolische Geloofsbelijdenis.

Door te springen van: die geboren is uit de maagd Maria en geleden heeft onder Pontius Pilatus, lijkt Jezus leven overgeslagen te worden.

Alsof zijn leven en werken worden overgeslagen.

Maar als ze vanuit de opstanding terugkijken naar wie Jezus was dan is het hele leven van Jezus ook weer terug op het toneel.

 

4.

En wat zeggen we met die woorden over Jezus:

Dat we God leren kennen in een mens, dat God het menszijn zo serieus neemt dat hij zich met ons en ons leven verbindt.

Dat God niet ver weg blijft, hoog op een berg, de Olympus bijvoorbeeld.

Niet achter de wolken waar altijd de zon schijnt.

God wordt mens onder zon als die brandt en onder de wolken als het noodweer is, hij komt in het leven waar mensen lijden.

In kleine levens in de knoop – ach wat kunnen mensen met zichzelf en met elkaar overhoopliggen.

En hij komt in het leven dat door de machthebbers, de Pilatussen van onze wereld, de echte bazen en de tussenbazen, misschien die laatsten nog wel het meest…onder druk wordt gezet.

God komt daar waar mensen doen alsof het leven van kleine mensen nauwelijks telt.

 

God wordt mens in de wereld van ‘ze doen maar’, van ‘er is toch niemand die zich iets van je aantrekt’, niemand die echt iets om een ander geeft.

Dat zal je ‘levenservaring’ maar zijn… dat de wereld zo in elkaar zit.

God komt in een wereld waarin mensen elkaar niet serieus lijken te kunnen nemen, het aan elkaar kunnen verdienen belangrijker lijken te vinden dan elkaar als mens te zien staan.

God komt in een wereld die in veel opzichten ‘van god los’ is geraakt.

En van god los betekent vaak ook; los van elkaar, los van zichzelf, jezelf kwijt zijn, verloren, opgebrand of uitgeblust.

Of: los van de aarde; uitgeputte aarde.

Wat een hoop dood komt er dan in ons taalgebruik:

De fut is eruit, achter adem, meer dood dan levend.

Moordende concurrentie, met doodsvijanden.

Letterlijk of figuurlijk moord en doodslag in de politieke arena.

 

Lijden onder Pontius Pilatus tot de dood erop volgt.

Je zou denken: dat wordt begraven, dat wordt de hel.

Het allerergste en dan niks meer, alleen nog ijzige stilte.

 

Dat even terzijde: de hel is niet een plek.

Calvijn heeft al gezegd dat er veel fabels zijn over de hel als plek.

En de Heidelbergse Catechismus legt uit dat de hel een aanduiding is voor het allerergste dat mensen mee kunnen maken.

 

In die wereld, dat leven, dat zo prachtig kan zijn maar ook zo verschrikkelijk, daarin wordt God mens.

 

5.

Dat is een klassieke in de wereld van het geloof:

Waarom werd God mens?

De middeleeuwse theoloog Anselmus schreef daar een beroemd boek over.

Er is veel misgegaan in de geschiedenis van de theologie en van de kerk met dat boek en de gedachten van Anselmus.

Maar de kern van zijn gedachten is:

God wilde niet achter de wolken blijven, niet op een Olympus.

God wilde de mensen, het leven, de wereld niet opgeven, niet maar naar de haaien laten gaan… (zie Jona).

God heeft zich in de wereld begeven, Jezus heeft zich overgegeven omdat hij de wereld en ons niet op wilde geven.

 

In de Bijbel komen we ‘lossers’ tegen.

Dat zijn mensen die het economisch beter hebben dan minder fortuinlijke familieleden.

En wat doen lossers voor familieleden in de penarie: die komen voor hun familieleden op, die lossen de schuld af en geven hun verwanten een nieuwe kans.

 

Dat is het verhaal dat de Bijbel steeds weer opnieuw vertelt en dat in Jezus uiterst geconcentreerd zichtbaar wordt.

God geeft ons niet op, maar begeeft zich in ons leven omdat hij zoveel om ons en onze wereld geeft.

En Hij maakt steeds weer een nieuw begin mogelijk.

 

6.

Voor een nieuw begin moet je soms diep gaan.

Dat zien we aan Jezus: hij ging diep: geleden, gestorven, begraven, neergedaald in het rijk van de dood.

Het teken van Jona; tot in het hart van de aarde, in de buik van een vis, of een monster, akeliger kan niet.

Jezus moest diep gaan om daar te komen waar mensen het diepst zijn gezonken.

 

Maar als hij op de bodem is dan breekt er een nieuw begin aan.

Jona wordt uitgespuugd op het strand.

En hij hoort: een nieuwe kans man, Ninevé, weet je nog.

Nog een keer… ik geef niet zomaar op, zegt God

 

Jezus staat op uit het graf.

Nieuw leven, nieuwe kansen.

 

En dan breekt het besef door: God komt voor mensen op.

Hij heeft zichzelf over voor ons.

 

Dat maakt het geloof en die geloofsbelijdenis zo sterk.

God komt niet omdat hij nog iets te verrekenen heeft, omdat er nog een schuld te vereffenen is, dat er nog een straf moeten worden gedragen.

Nee!

God komt omdat hij voor ons op wil komen.

 

7.

Noam krijgt daarvan het teken mee.

Noam Daniël Emerson Steketee; ik ken jou.

Ik steek mijn hand naar je uit.

Ik laat je niet los.

Je had er zomaar ‘niet’ kunnen zijn.

Maar je bent er en ik blijf bij je.

En je leeft in een wereld waarin veel kopje onder gaat en diep kan zinken.

Maar ik ben niet bang voor de diepte; ik geef niet op.

Jou niet, je ouders niet, mijn mensen en mijn wereld niet.

 

En als je groter bent hoop ik dat je de wereld daar ook wat van zult laten zien.

Omdat je jezelf en de wereld zo zult leren zien: als voor Mij onopgeefbaar.

Zegt God.

 

Amen.