Gebed van toenadering

Kyriegebed

Gebed van de zondag

Met de kinderen
Jullie gaan van de basisschool af, bijna klaar.
Wat vond je het mooiste?
Wat was niet fijn?

Ik heb er zelf ook even over nagedacht:
Het mooiste vond ik wanneer Juf IJdo uit de Bijbel vertelde.
Dat kon ze heel goed.
Ze kon zó over de tocht van het volk Israël door de woestijn vertellen, hoe droog het was en hoe warm… dat ik er dorst van kreeg.
Wat ik naar vond was ruzie op het schoolplein.
Er waren van die jongens die altijd ruzie maakten, altijd vechten, ik weet niet waarom.
Oh, en er was ook een meester die vond dat ik het niet goed genoeg deed…
Nou ja, ben het al lang vergeten.

Maar ik heb nooit echt gedacht: die rotschool…
Jullie?

Als je je ergens naar over voelt dan helpt praten.
Job dacht, toen het heel zwaar was in zijn leven: dat rotleven.
Dan komen zijn vrienden praten.
Helpt ook niet altijd, maar ze hielden het wel uit, ze kwamen er in ieder geval in de eerste dagen samen doorheen…

Straks, in de KND, ga je daar nog iets meer over horen.

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

Inleiding
Een aantal van u weet dat ik bezig ben aan een serie van 4 preken over Job.
Ze staan als afzonderlijke preken op zichzelf.
Maar ik haal wel telkens even op wat voorafging.
Want het zijn geen preken met een punt aan het eind, maar met een punt komma.

Voorafging dat Job en zijn vrouw en hun volwassen kinderen een prachtig leven hadden; te mooi en in te grote weelde, denkt Job waarschijnlijk (Job 1 vs 5).
Dan wordt de familie getroffen door grote rampen, jobstijdingen.

De vraag van de mens is dan vaak: waar is God bij al dit leed?
Daar wordt een verhaal over verteld van een soort weddenschap tussen God en de satan in de hemel, over het hoofd van Job, over de hoofden van de mensen heen.

Dat noemden we: de ervaring van de mens.
De beleving dat het ‘kwaad dat goede mensen treft’ vanuit een ijzig universum, door een koude God en even koude satan wordt bekonkeld en losgelaten.

Maar dat is het dan ook: die verhalen over de taferelen in de hemel maken een karikatuur van God en van de satan, die zijn gebaseerd op de beleving van mensen.

Iemand van u zei: ‘Als God zo is als in die taferelen in de hemel, dan kan ik daar niets mee’.
En gelijk hebt u, het is een vertekend beeld, een karikatuur.

In die taferelen in de hemel gaat het overigens ook over een vraag: een vraag van God en van de satan: waarom geloven mensen eigenlijk?
Geloven ze om meer zegen te krijgen?
Geloven ze omdat ze anders de ellende niet overleven?
Of kunnen mensen ook geloven lós van zo’n balans van winst en verlies van het geloven?
Kunnen mensen geloven in God ‘om niet’, gratis, uit liefde voor God, in goede en in kwade dagen?
Dragen ze iets van God in zich, die de mensen liefheeft in goede en kwade dagen?
Uit genade, zonder verlies- en winstberekening?

Bestaat dat?
Geloof ‘in vrijheid’; geloven, dat vertrouwen en hopen ‘door alles heen’ als krachtbron, als oerkracht, als bron van het leven zelf?
Die grote vraag naar de kracht van God in de mens, lijkt belangrijker te zijn in het boek Job dan de vraag naar waar het kwaad vandaan komt.

Die vraag wordt trouwens wel gesteld midden in de ellende.
Job is totaal berooid en zit ziek, met nare zweren op zijn lijf, op een vuilnisbelt.
Drie vrienden van Job zijn gekomen en erg van de toestand van Job geschrokken: het zijn Elifaz, Bildad en Sofar

Ze zitten al een week bij Job op de grond.
Niemand lijkt woorden te hebben.
Stil.
En dan begint Job te praten.

1.
Job vervloekt de dag van zijn geboorte…
Eigenlijk staat er alleen maar: vervloekt zijn dag…
Was het maar nooit dag geworden.
Was het maar nooit licht geworden zodat hij het goede van het leven heeft kunnen zien.
En hij heeft veel gezien.
Dat maakt het besef van verlies en leed ook zo groot.
Hij weet hoe anders het kan zijn.

Zo zeggen mensen het ook vaak als ze de moed niet meer hebben om te leven, en eigenlijk wensen dat het einde er mag zijn.
Als ik nou ga slapen en morgenochtend niet meer wakker hoef te worden.
Werd het maar geen dag meer, zodat ik geen last meer hoef te hebben van dat gevoel van gemis van wat het leven zo mooi en rijk maakte.
Want juist bij daglicht wordt dat gemis zo gevoeld…

Zover kan een mens komen.
Dat het bittere al het zoet verdrongen heeft.
Dat het lijden het geluk overstemt en wegdrukt.
Dat je het licht in het leven, de glans van het leven, niet meer kunt verdragen.
Omdat het je eigen situatie zo grauw, zo dof maakt.
Alle licht doet alleen maar zeer aan je ogen.
Ze tranen ervan.

Zo kan het gaan, zo kan het voelen; juist als er zoveel moois is geweest, als er zoveel in je leven geglommen heeft en licht en vrolijk was.
Of als je beseft dat het nooit zo glanzend is geworden als je gehoopt had.
Dat je keuzes in je leven hebt gemaakt, afslagen hebt genomen, die je niet brachten waar je wel had willen zijn.
Of dat ‘pech onderweg’, letterlijk ongeluk of existentiële pech, de hele reis gefrustreerd heeft.

Job vervloekte zijn dag…
De dag dat zijn leven aan het licht kwam.
Was het maar donker gebleven dan had hij het licht niet gemist….

2.
Dat is kras gedachtegoed.
Wij worstelen daar nog altijd mee.
Dat is ook indrukwekkend aan het boek Job:
Dat het een Bijbelboek is, dat zulk scherp denken en voelen een plek heeft in de Bijbel.
De Bijbel schrikt niet van ‘voltooid leven’-denken in de zin dat mensen kunnen verlangen naar het moment dat het geen dag meer wordt.

En de les van de drie vrienden die een week lang hun mond houden, is: pas op dat je niet te vroeg gaat praten.
Zet een wacht voor je lippen, vooral tegen het babbelen.
En vooral tegen de (te) snelle babbel.

In het boek Job is het groots dat de vrienden kunnen wachten totdat Job, degene met het grote leed, eerst aan het woord komt!
Pas dan komt het gesprek op gang.
En wat dan volgt is een gesprek van Job met zijn drie vrienden.

3.
We weten niet zoveel over die vrienden.
Uit hun woorden en gedachten kunnen we wel iets opmaken.
Ik zou de ‘toespraken’ van de vrienden maken wel eens met u willen lezen met die vraag: welke indruk krijgt u van hun persoonlijkheden?
Wat voor mannen zijn die vrienden?

Ik karakteriseer ze nu maar even snel:
Elifaz; een oudere wijze man?
Bildad: jonger? Scherper, iets meer digitaal zouden wij zeggen, iets meer recht toe recht aan?
Sofar: wat emotioneler, wat meer vanuit zijn beleving…
Zou mooi zijn om ze samen wat beter te leren kennen.
Maar daar hebben we nu even geen tijd voor.

4.
Waar ik vandaag aandacht voor wil vragen, is: het gaat een doorgaand gesprek tussen die 4 vrienden.

In hoofdstuk 3 en in hoofdstuk 10: komen we dezelfde gedachten bij Job tegen.
En dan hebben ze al heel wat af geredeneerd, die vier.
Was het dan een non-gesprek?
Heeft het hen niet verder geholpen?

Of was het meer een continu gesprek?
Want ze zeggen op zichzelf mooie dingen, die vrienden en Job zelf
Dingen die mensen ook wel zeggen en waar je respect voor kunt hebben.
Je kunt ook wel grote vragen hebben bij hun opvattingen, er zitten nogal wat ‘dogmatische’ waarheden tussen, maar het is zeker niet allemaal onzin.

En ze blijven praten, ze houden het gesprek gaande.
Met prachtige taal.
Ze spreken in poëtische beelden.
Er zitten van de ‘kauwteksten’ tussen… die houden je wel even bezig.
Het is echt literatuur, niet het verhaal, niet de plot alleen is belangrijk, maar de gedachteontwikkeling ook.
Dat je denkt: Ja, zo kun je het ook zien,
Of, dat geeft ook te denken…

Mooi is dat ze niet bang zijn om hun gedachten naar voren te brengen.
Niet als laatste woord, maar om door te praten.
En Job zelf houdt zijn vraag vast…

Ze helpen elkaar om het dag te laten worden, om de dingen in het daglicht onder ogen te zien en te bespreken.
En om nog geen oplossing te hebben…
Alleen veel vragen en opties.
Dat is de realiteit van het leven.

Het betekent ook dat ze bij al die vragen het geloof niet weggooien.
Dat ze niet te snel de rekening van winst en verlies op te maken en tot de conclusie komen dat ze er wel klaar mee zijn, met dat geloof; klaar, weg ermee…
Nee want de vragen blijven…
Geen geloof is immers ook een geloof…
Want ook zonder geloof blijft de vraag: hoe doe jij het dan?
Omgaan met het kwaad dat goede mensen treft?
Wat is de basis van jouw bestaan, jouw vertrouwen, jouw hoop?

Iedereen heeft die ervaring dat niet alles past, maar dan laten die vrienden elkaar niet los, ze geven het gesprek niet op.
Ze houden vast aan de relatie die ze hebben.

5.
Wij vieren vandaag de Maaltijd van de Heer.
Daarin staat centraal wie Jezus was en Hij bij ons blijft.
Bij Jezus gebeurde wat Job wenste.
Voor Jezus werd het midden op de dag nacht, was het geen dag meer.
En in die nacht riep hij; Mijn God, Mijn God…waarom hebt U mij verlaten
Met andere woorden, ook in de nacht gaf Jezus het gesprek niet op.
Ook de nacht was het antwoord blijkbaar niet.
Hij bleef in zijn lijden vragen naar de relatie met God.
Mijn God…!

Dat is dat geloven uit liefde in goede en kwade dagen!
Zonder verlies- en winstrekening.
Jezus bleef vasthouden aan die relatie.
Van Jezus naar God en van God naar Jezus.

Daar had hij bij de laatste maaltijd met zijn discipelen iets over gezegd:
Toen hij het brood brak zei hij: kijk gebroken brood, het is niet meer heel te maken.
Maar als wij eten van dit ene brood dragen wij stukken daarvan in ons.
Dat voedsel geeft ons leven en energie; daardoor zijn en blijven wij met elkaar verbonden.
Als één lichaam.

En die wijn; als ik het uitschenk geef ik het door aan jullie.
Als een teken van een gewond bestaan, dodelijk gewond, maar als jullie ervan drinken word je bezield met de energie van onze verbondenheid.

Door in relatie te blijven, blijven wij in gesprek…
Beleven we de verbinding met elkaar en met God.

Brood en wijn zijn een uitnodiging om in die verbondenheid in gesprek te blijven.
Door de diepste diepten heen.
In gesprek met elkaar en zo met God.
In gesprek met God en zo met elkaar!

Amen.