Johannes 16: 16 – 23a en 1 Petrus 2: 11 – 20 RBK, 7 mei 2017

Met de kinderen
Gaat over vragen en antwoorden.
Durven jullie alles te vragen?

Aan mij?
Wat zou je willen vragen maar durf je niet zo goed?

Denk je dat op alles een antwoord is?
Waarom niet?
Soms denk je als je iets vraagt: ze willen niet alles zeggen.
Misschien weten ze ook niet alles.
Misschien hoort het wel bij het leven:
leven met vragen.

In de KND gaat het er verder over.

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

Tekst: Joh. 16: 22 – 23a

1.
‘Op die dag zullen jullie mij niets meer hoeven vragen…’
Als dat eens zou kunnen…!
Dat je weet wat je wilt weten; dat er geen onopgeloste problemen meer zijn.
Dat je niet hoeft te lopen tobben over wat je maar niet snapt, wat je maar niet bij elkaar kunt krijgen… aan de raadsels voorbij.
Helderheid, duidelijkheid, antwoord gekregen op al je vragen…

Wat kun je er soms naar verlangen dat je snapt hoe het zit.
En dat anderen het ook snappen, hetzelfde snappen en elkaar snappen, aan de misverstanden voorbij.
Dat je elkaar bereikt en begrijpt.

Dat geldt voor het dagelijkse leven, in je gezin, met de buren, in de politiek, in de kerk, de economie, tussen verschillende culturen en verschillende godsdiensten…
Waar niet…?

Dan hoeven jullie mij niets meer te vragen…
Zegt Jezus tegen zijn discipelen.
Zelfs tussen Jezus en zijn leerlingen zitten blijkbaar vraagtekens in de weg.

2.
Door midden in vers 23 te stoppen met schiftlezing uit Johannes 16, wordt goed duidelijk dat de vragen van de discipelen slaan op de voorafgaande woorden van Jezus die ze niet begrijpen.
‘Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug’.
Jezus gebruikt twee woorden voor zien:
Nog maar een korte tijd en jullie aanschouwen mij niet meer…
Aanschouwen als in schouwspel, in het theater, of als beschouwing zoals in een theoretisch verhaal.
En wéér een korte tijd en jullie zullen me zien…
Dat woord klinkt directer, levendiger.
Ik kom er aan het eind van de preek nog op terug.

In ieder geval klinken Jezus’ woorden de discipelen als raadselachtig in de oren.
Een paar leerlingen overleggen over wat de betekenis kan zijn.
Het valt op dat ze de woorden van Jezus letterlijk herhalen.
Ze hebben wel goed naar hem geluisterd, daar ligt het niet aan.

Jezus merkt dat ze vragen hebben.
En als hij daar naar vraagt gebruikt hij zijn eigen woorden nog een keer.
‘Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug’.

Dat is al een mooi staaltje van goede communicatie, van goede gesprekstechniek:
goed weergeven wat de ander zegt en navragen of je de vraag van de ander goed begrijpt.
Dezelfde woorden gebruiken en niet er een eigen mening, laat staan een oordeel over de ander aan toevoegen.
Dat is nog altijd van groot belang.

De discipelen vragen: Wat bedoelt Jezus met…
En Jezus zegt: proberen jullie te begrijpen wat ik bedoel?
Er wordt heel goed op elkaar afgestemd.

3.
Maar het gaat natuurlijk niet alleen over de gesprekstechniek.
Het gaat om de vraag over hoe het zal zijn als Jezus er niet meer is, in de letterlijke zin, gewoon onderweg met zijn discipelen.
Op het moment dat Johannes zijn versie van het Evangelie opschreef was dat een brandende vraag geworden.
Jezus’ letterlijke aanwezigheid was al ongeveer zestig jaar geleden.
Lange tijd hadden veel mensen gedacht dat Jezus weer snel terug zou zijn, een snelle wederkomst en dat hij dan zijn koninkrijk zou stichten.
Dat zijn missie dan alsnog een – uitgesteld – succes zou worden.

Anderen waren tot het inzicht gekomen dat Jezus op een andere manier aanwezig was, bij hen.
In de verhalen, in de kracht die ze Geest van God, Heilige Geest, hadden leren noemen.
En dat het geloof juist daarin sterk was: zonder Jezus’ letterlijke aanwezigheid was zijn missie, was zijn leven voor recht en gerechtigheid, zijn inzet van liefde, compassie en vrede doorgegaan.
Met alle vragen die leefden bij zijn volgelingen, mensen die zijn weg hadden voortgezet, was de beweging van Jezus wel doorgegaan.
Dat blijkt een kernpunt te zijn in het christelijk geloof:
er blijven vragen, verschillende meningen en inzichten, er blijft debat, maar ondertussen blijven mensen ook gaan op de weg van die Jezus ging.

4.
Tot op de dag vandaag: hoe graag wij ook antwoorden zouden hebben op al die vragen die er te stellen zijn bij het geloof, hoe graag we definitief zouden willen afrekenen met alle misverstanden over en misstanden in het geloof, in de kerk, we gaan toch door in het spoor van Jezus.
Hoe je ook kunt worstelen met de verwachting van mensen van buiten het geloof dat jij alles wel weet, want je gelooft toch…
Hoezeer wij er ook zelf last van hebben dat we alleen een geloof met antwoorden op alle vragen een echt geloof vinden… maar waar vind je dat…?
Er zijn altijd weer momenten dat je toch weer gaat in het spoor van Jezus, die je niet voor niks je Heer noemt, bij wie je thuis wilt voelen en in wiens leven je je eigen leven terug wilt vinden.

Als Jezus de vraag van zijn discipelen herhaalt, serieus neemt, geeft hij niet een rechtstreeks antwoord.
Hij gaat juist in op hoe lastig het kan zijn om te leven met vragen en vooral met vragen over het geloof.
Je zult huilen en weeklagen.
Geloven kan zo dwars tegen alles in lijken te gaan of alles lijkt zo dwars tegen het geloof in te gaan dat je met buikpijn en verdriet rond zult lopen.
En erger nog: de wereld zal zich er vrolijk over maken.
Ze zullen ermee spotten; houd er toch mee op, jullie kunnen het toch niet waarmaken, het wordt nooit wat…
En je zucht maar weer eens diep.

En daar zegt Jezus: ja, dat zuchten snap ik, maar daar heb ik een belofte bij.
Het zuchten hoeft niet alleen zuchten van moedeloosheid te zijn.
Dat zuchten is ook puffen als bij de bevalling.
Want mijn koninkrijk, mijn nieuwe wereld zal toch doorbreken.
Ondanks de schijn van het tegendeel, al jaren, al eeuwen lang.

5.
Johannes vertelt hier hoe Jezus zijn leerlingen al leerde om te leven met vragen.
Daar ben je tenslotte leerling voor.
Dan bestaat je leven voor een deel uit vragen stellen.
Dat is lastig, maar wen er maar aan.
De mensen verwachten antwoorden van je.
We willen zelf ook graag antwoorden en we denken dat we niet goed genoeg geloven als we die antwoorden niet hebben of niet paraat hebben of niet altijd even overtuigd beleven…
Maar geloven is voor een deel juist leven met vragen.
De Duitse dichter Rilke schreef daar prachtige regels over:

Ik vraag je geduld te hebben
Met alle onopgeloste vragen in je hart;
Zoek niet naar antwoorden,
Maar probeer de vragen zelf lief te hebben.
Want antwoorden zijn het leven niet.
Het gaat erom te leven.
Leef de vragen.
Misschien leef je dan, geleidelijk aan
Zonder het te merken in de antwoorden.

6.
Dat betekent overigens niet dat we als gelovigen onze mond niet meer opendoen.
En geen vragen meer durven te stellen.
Juist niet.

In de brief van Petrus lezen wij over hoe christenen gezien worden als bijwoners en vreemdelingen.
Het woord ‘vreemdelingen’ heeft in onze samenleving jammer genoeg een heel eigen kleur gekregen.
Het wordt vaak rechtstreeks in verband gebracht met discriminatie of zelfs haat.

Die betekenis heeft het in de Bijbel niet.
In het Oude Testament moest het volk Israël plaats inruimen voor mensen die ‘erbij kwam wonen’.
Bijwoners kregen rechten en bescherming.
Ik vind dat woord ‘bijwoner’ daarom ook zo’n mooi woord.

Als het over vreemdelingen ging dan moesten de Israëlieten ook altijd weer beseffen dat ze zelf ook vreemdelingen waren geweest in Egypte en dat ze daar onderdrukt werden, gediscrimineerd, hun kinderen vermoord…
En dat God hen bevrijd had voor een betere toekomst.

Bovendien hadden allerlei mensen uit het Oude Testament ook goede ervaringen gehad met hun verblijf als vreemdelingen in het buitenland.
Jozef was in Egypte uiteindelijk goed terecht gekomen.
Daniël kreeg een hoge positie in Babel.
Esther werd koningen in Perzië…

Je hoeft je als vreemdeling in de wereld niet buitengesloten te voelen.

7.
Maar je bent wel ‘anders’.
En je zit niet aan de kant van de macht, je behoort niet tot degenen die het in de wereld voor het zeggen hebben.
Je bent kwetsbaar als christen.

Maar in dat ‘anders zijn’ ligt ook je kracht.
Als je je los kunt maken van je zelfzuchtige verlangens die je ziel in gevaar brengen, kun je zo leven dat het respect oproept.
Respect man, respect!
De vrijheid die God je geeft is geen vrijbrief voor van alles en nog wat:
Je bent vrij gemaakt om met respect te leven en daarvoor respect te ontvangen.

Petrus gaat daar ver in.
Hij spreekt over slaven die in staat moeten zijn om onverdiend leed te verdragen.
Dat was toen aan de orde van de dag.
Slaven mochten mishandeld worden…

Daar zijn we in onze samenleving gelukkig aan voorbij.
Wat overblijft geldt ook vandaag nog:
Goede daden en respectvol met elkaar omgaan krijgen ook in onze tijd niet altijd de waardering die het verdient.
Maar blijf die goede daden dan toch doen, blijf je onderscheiden!

8.
We zullen als christenen niet meer zo makkelijk een christelijke cultuur vestigen of als kerk de macht over de wereld krijgen.
Sommigen kunnen daar wel naar verlangen, of naar terugverlangen, maar het is maar de vraag of dat wenselijk is.
We zullen onze handen eraan vol hebben om ‘anders’ te zijn.
We zullen vragen blijven stellen bij de cultuur van overconsumptie en hebzucht, bij het plunderen van de aarde en het stapelen van rijkdom bij sommigen ten koste van zoveel anderen.
We zullen midden in de wereld staan en meewerken aan wat daar aan goed en respectvols ontdekt is en gedaan wordt.
Maar ook altijd vragen naar meer en naar beter.
En daar zelf een begin mee maken.

Waar we die moed vandaan halen?
En hoe we dat volhouden met al onze eigen vragen aan Jezus, over geloof en leven, over heden en toekomst?

Dat is vanwege die woorden van Jezus die hij zegt voordat hij zegt dat wij geen vragen meer zullen hoeven te stellen.
In vers 22 zegt hij:
Ook al ben je nu bedroefd: Ik zal jullie weer zien.

Dat is het diepste van het Evangelie:
Niet de vraag of wij Jezus nog wel aanschouwen, letterlijk of nog directer, als een levendig besef van zijn aanwezigheid.

Uiteindelijk gaat het in het geloof om het besef dat wij onszelf gezien wéten door Jezus.
Als je beseft dat Hij jou ziet, met die barmhartige bik van zijn Vader in zijn ogen,
als niet wij hem weer zien, maar Hij ons,
dan wordt je daar anders van.
Een beetje vreemd in deze wereld,
maar wel blij.
Want je bent gezien.

Amen.