Lucas 2, 33 – 40 en Jesaja 61,10 – 62,3 RBK, 30 december 2018

Tekst: Lucas 2 vers 38

Thema: Na de Kerst; het zwijgen voorbij zingen.

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

1.
In de Kerstnachtdienst en op Eerste Kerstdag stonden we in het hart van het geboorteverhaal.
Met Maria en Jozef, in de stal van Bethlehem, onder een hemel vol engelen en tussen de herders.
Vandaag zijn we weer wat opgeschoven en staan we in een wijdere schil om de kern van het geboorteverhaal heen.
Lucas heeft zijn selectie van verhalen die de ronde deden over hoe het eraan toe gegaan was rond de geboorte van Jezus gemaakt – dit wel, dat niet – en hij heeft daarmee zijn versie van het Evangelieverhaal zorgvuldig gecomponeerd.

Rond de kern van het verhaal over die jonge moeder en vader en het kind staan bij Lucas vier oude mensen.
Zacharias en Elisabeth, Simeon en Hanna
Ik ga er voor het gemak maar even van uit dat Simeon ook een oude man was, hoewel Lucas daar niets over zegt.
Maar omdat de eerste woorden van het lied van Simeon – Nu laat u, Heer, uw dienstknecht aan in vrede – in de geschiedenis van de kerk zijn uitgelegd als; nu ben ik klaar om te sterven, is het beeld van Simeon het beeld van een oude man geworden.
Kijk nog maar eens naar de schilderijen die Rembrandt maakte van de Lofzang van Simeon.
In de schil om de kern van het Kerstevangelie staan dus vier oude mensen.
En wij vandaag ook.

Niet per se vanwege onze leeftijd, maar wel met ons leven en met de tijd waarin wij leven.
Waar staan wij in die schil?

2.
Zacharias, zou je kunnen zeggen, stond voor de godsdienst die trouw de rituelen volhield.
Hij zorgde ervoor dat de dingen doorgingen zoals ze altijd al gingen.
En op het moment dat er echt iets ging gebeuren, toen de engel een nieuw begin kwam aankondigen, had Zacharias geen woorden meer.
Hij was met stomheid geslagen.
Stilte.

En Elisabeth, zijn vrouw: zij was ook al zo’n symbool geworden van leven met weinig dynamiek.
Zij was onvruchtbaar en beiden waren al op leeftijd.
Letterlijk in de buitenste schil van de geschiedenis terecht gekomen.

En aan de andere kant van het geboorteverhaal vinden we Simeon.
Hij was altijd in de buurt van de tempel; een vrome, rechtvaardige man met een zeker charisma – over hem deed het verhaal de ronde dat hij de Messias, de verlosser van Israël zou zien voordat hij stierf – maar ja, veel beweging had Simeon ook nog niet op gang kunnen brengen.

Tenslotte is daar nog Hanna, al 84 jaar oud, of al 84 jaar weduwe na een huwelijk van 7 jaar – geen vermelding van kinderen –.
Zij is vooral in de tempel te vinden, om te bidden en te vasten.

En alle vier gaan ze zingen.
Zacharias zingt een loflied, Elisabeth zingt het eerste ‘Wees gegroetje’ uit de geschiedenis als Maria bij haar aanklopt, Simeon zingt bekende teksten uit de heilsprofetieën van Jesaja en Hanna brengt hulde aan God en raakt niet uitgepraat over het kind dat ze gezien heeft en in verband brengt met de bevrijding van Jeruzalem.

De stilte rond deze tot dan toe vrij onzichtbare mensen wordt doorbroken.
Sterker nog; die tot dan toe ‘onzichtbare’ mensen doorbreken zelf de stilte.

Wie het gevoel had dat zijn woorden geen kracht meer hadden, of dat hij in ieder geval anderen, generatiegenoten of de volgende generatie niet meer met zijn geloof kon bereiken, kwam weer tot zingen.
Wie dacht dat ze geen rol te spelen had bij de komst van de volgende generatie of generaties kreeg alsnog de volgende generatie te dragen.
Wie het had volgehouden om te blijven geloven, Bijbel te lezen en ernaar te leven maar ook niet wist wanneer hij er nu eens het bewijs van zou zien, ervaart met een kind in zijn armen de vervulling van zijn verlangen.
Het verlost hem van zijn bange pijn, hij wordt een bevrijd mens, hij kan vrij gaan, dóór het leven of uit het leven; hij weet dat hij niet tevergeefs gehoopt en geloofd heeft.
En wie al een mensenleven lang in de marge had geleefd, voert het woord op het tempelplein.
Ze zingt, ze straalt!

3.
Beginnen we onze plek in de schil rond het geboorteverhaal al te ontdekken?
Is onze plek ergens in de buurt van die man die wel de klassieke woorden kent, maar het zo moeilijk vindt om de betekenis daarvan voor het leven vandaag de dag onder woorden te brengen?
Wel Kerstfeest gevierd – en blij dat het allemaal goed gegaan is – maar het gesprek over wat je er nou in raakt is toch nog weer niet echt van de grond gekomen…

Of staan we dichter bij Elisabeth; met overtuiging klaarstaan voor de volgende generatie of generaties, maar hoe geef je iets mee van de kracht van de Bijbelse boodschap?
Zit dat in hoe je leeft, of dat er bij jou in huis, aan tafel, gebeden wordt of ligt de kinderbijbel voor het grijpen; ben je blij als je een boekje gevonden hebt dat op aansprekende wijze iets van het geloof voor je (klein-)kinderen in woorden en beelden uitdrukt?

Misschien is onze plek dichter bij Simeon; met de oprechte overtuiging dat dat verhaal van God en Jezus nog steeds inspireren kan, dat het de moeite waard is om je in te zetten voor de kerk, voor de organisatie, het instituut, het faciliteren van de activiteiten omdat die boodschap van liefde en recht, van rechtvaardigheid en vrede moet blijven klinken. Maar dat het soms wel hard bikkelen is, dat je wel een engelengeduld moet hebben, en een olifantshuid en een héél groot hart en de wijsheid om op tijd een oog of een oor dicht te hebben en een wacht voor je lippen…

Of is onze plaats dichter bij Hanna?
Trouw; je dingen doen vanuit je eigen geloofsbeleving en spiritualiteit en onbevangen proberen te zijn in je woorden en je houding omdat je uit ervaring weet dat er altijd wel weer ergens een opening is?
Dat er altijd wel weer iemand is die een goed woord waardeert en er ook altijd wel weer respect is voor mensen die de moed en de hoop niet opgeven.

2018 is bijna voorbij?
Hebben we ons dit jaar nog bewogen in de schil om de kern van het Evangelie heen?
Zijn we op geschoven, is er gezongen, iets nieuws begroet, vervulling ervaren?

4.
Ik kan het voor u persoonlijk niet invullen.
Ik ben er wel met u over in gesprek geweest, in Bijbelkringen, persoonlijk, in vergaderingen, op reis, in de kerkdiensten.
En ik kijk terug naar 2018 op de manier die ik mij probeer eigen te maken.
De blik die zoekt naar waar ontwikkelingen te herkennen zijn als bewegingen van Gods Geest in onze tijd.
Daar is het in de preken en de gesprekken, in de vergaderingen en het bibliodrama ook steeds over gegaan, als het goed ging.

Ik noem drie voorbeelden die me geraakt hebben in 2018.
Waarin iets van die herkenning plaats vond.

5.
Eén van de lijstjes die bij het jaaroverzicht 2018 gemaakt worden was het lijstje met de beste toespraken.
Op dat lijstje hadden de lijstenmakers de Abel Herzberglezing van minister Sigrid Kaag van Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking hoog genoteerd.
Ze sprak die lezing uit op 30 september in de Rode Hoed.
Hij was me bijgebleven.
Ze sprak over de stilte.
Over het belang van de stilte bij het maken van muziek.
Maar ook over ‘gevaarlijke stilte’.
Namelijk over het zwijgen daar waar juist gesproken moet worden.
Waar tégengesproken moet worden.
Tegen het nepniews, tegen de bangmakerij, tegen taal die uitsluit, mensen beschadigt, valse beelden schept met halve waarheden en menselijke, sociale en juridische waarden ondergraaft.
Waar gesproken moet worden tegen het geschreeuw, het gescandeerde roepen dat mensen opzweept.
Tegen het sluipend gevaar dat op een gegeven moment niemand meer zijn mond opendoet.

Ze vertelde over Boris Pasternak, dichter, componist en Nobelprijswinnaar uit Rusland.
Hij moest spreken op een congres in de tijd van het Stalinistische bewind…
Hij wist dat de geheime politie op het puntje van de stoel zou zitten.
Alles wat hij zou zeggen zou als ondermijnend worden uitgelegd en als hij zou zwijgen zou dat ook als anti-Stalin worden uitgelegd.
Op de eerste dag van het congres sprak hij niet.
Op de tweede dag sprak hij niet.
Op de derde dag moest hij wel spreken.
En hij citeerde een sonnet van Shakespeare.
Dat kon hem niet worden aangerekend want dat was geaccepteerd cultureel erfgoed.
Maar de deelnemers aan het congres herkenden de lading van het sonnet.

Deed mij denken aan Simeon:
Hij citeerde teksten van Jesaja, ook met een geweldige lading.
Wij lazen teksten uit Jesaja 61 en 62.
Over de het ‘niet zwijgen omwille van Jeruzalem’, over het spreken, het juichen om de bevrijding en de gerechtigheid.
Waarmee Jeruzalem een kostbaar sieraad wordt in de hand van God.
Zulke klassieke teksten over bevrijding en gerechtigheid zouden wij eigenlijk paraat moeten hebben.
Voor het geval dat… wij moet en spreken en niet stil mogen blijven.
Daarom blijven we Bijbellezen en daarom ook houd ik zo van preken!

6.
Tweede voorbeeld:
Dat gaat over de Vlaamse oorlogsjournalist Rudi Vranckx.
Eind september kreeg hij Carnegie Wateler Vredesprijs voor een instelling of persoon die zich heeft ingezet voor de internationale vrede.
Ik had er nog nooit van gehoord, maar in Vlaanderen is dat een belangrijke prijs.

Hij kreeg hem voor zijn boek ’Mijn kleine oorlog’.
Al 30 jaar is Rudi Vranckx verslaggever aan de frontlinies.
Hij was inRwanda, Syrië, Gaza, Roemenië en Congo.

De journalist vroeg hem: Wat heeft u tijdens die queeste (zoektocht naar de ‘achterkant van oorlogen) gevonden?
“Ik heb geleerd dat oorlog universeel is en van alle tijden.
De geschiedenis als zodanig herhaalt zich niet, maar bepaalde mechanismes wel: propaganda, uitsluiting en ontmenselijking.
Nu zijn het onder meer de islam en de migrant, die de rol van ‘de ander’ (de vijand) vervullen.
“Ik zie het monster steeds opnieuw gevoed worden.
Diegenen die nu haat en angst zaaien, leggen de voedingsbodem voor de oorlogsmisdadigers van morgen.
Rechtse racisten en islamitische extremisten zijn als spiegelbeelden van elkaar.
Ze hebben de ander ¬nodig en voeden elkaar”.

“Maar het opmerkelijkste wat ik heb gevonden is het besef van mentale veerkracht. Wat ik koester zijn niet de beelden van idiotie, maar die van hoop. Ik probeer vooral de mensen achter de schermen van een oorlog een stem te geven, ik wil ontdekken hoe zij lijden maar zich ook inzetten.
Want vrede komt niet voort uit conferenties van slimme wereldleiders, maar uit het weefsel van de samenleving.”

Dat herken ik.
Die kracht in het weefsel van de samenleving.
Ik zeg niet dat dat de Geest van God is, ik claim niets, maar ik herken de kracht van Gods Geest.
Ik herken de kracht van mensen als Hanna uit Lucas 2.
En ik ken er veel meer: mensen die in de schil om de kern van het Evangelie staan en deel uitmaken van het weefsel van de samenleving.

Gewoon doorgaan, met te doen wat goed is en wat goed doet.
Daar herken ik de kracht van de Geest van God.

Herkennen is natuurlijk ook; blijven toetsen en vragen
En me laten voeden door die Geest van God.

7.
Als laatste: alle vier de oude mensen in de schil om het kerstevangelie zingen.
Dat herken ik in de diensten in de Bethelkapel, in Den Haag, waar het kerkasiel wordt gehouden
Dat kerkasiel is niet eenvoudig, ik snap dat mensen er moeite mee hebben; er zijn veel vragen, en ik voer daar gesprekken over.
Over hoe het moet aflopen en over hoe de verhouding is tussen barmhartigheid en recht enzovoort.

Maar aan de andere kant: er is wereldwijd aandacht voor wat daar in die kerk gebeurt.
Mensen vragen weer naar wat de kerk daar doet.
Derk Stegeman zei het in een interview heel goed:
‘We doen wat we altijd doen’.
Bidden, Bijbellezen en zingen.
Want dat gebeurt al eeuwen en altijd weer in de schil om het kerstverhaal heen.

8.
Daar staan ze; Zacharias, Elisabeth, Simeon, Hanna.
We weten niet wat er van hen geworden is in de geschiedenis.
Hun namen zijn geen grote namen geworden in de geschiedenisboeken.
Maar ze zongen wel.

In de schil om Christus heen.

Het maakt ook niet zoveel uit waar u of ik staan in die schil.
Als het maar van zingen komt, van mensen met gewone namen.

Als Aart en Marien, Corrie en Margreet, Bas en Barend maar zingen op zijn tijd.

Oh en tenslotte nog een belangrijk advies van Simeon:
Zorg dat je je teksten kent!

Amen.