Zondag 1 oktober 2017  Groene of Willibrordskerk, Oegstgeest 

Lezingen:
Daniël 9: 14 – 19
Lucas 7: 11 – 16

Thema: Gezien worden in de worsteling met je geloof.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

1.

Laat ik maar met de deur in huis vallen:
ik heb serieus overwogen om de Bijbellezingen die vandaag op het rooster staan over te slaan.
Ik heb het niet gedaan, en  zal in  de preek die keuze toelichten. Want er zijn andere roosters met andere lezingen en ik ben vrij om iets anders te kiezen.
Dus waarom zou ik dat niet doen?
Waar ik mee zat – en zit – is de vraag: hoe kun je vandaag de dag preken over zo’n verhaal als dat over de opwekking van een overleden tiener?
Wat er in dat verhaal gebeurt is in strijd met alle logica en met de wetenschap.
Het gaat voor ons besef over iets dat moeilijk voor te stellen is.
En als je dit verhaal zou vertellen aan mensen die niet vertrouwd zijn met de Bijbel of met geloof dan is de reactie al gauw: ja hallo-oh, dit kan dus niét, dit is onmogelijk.
Daarom vind ik het moeilijk om over zo’n wonderverhaal te preken.

Ik wil er namelijk niet de kant mee op van: het staat nu eenmaal zo in de Bijbel en geloven is nou juist dat je gelooft dat het onmogelijke mogelijk is.
Dat wordt dan al gauw bijbelgetrouw of orthodox genoemd.
‘Als je gelooft dat de Bijbel het woord van God is, dan betekent dat je ook gelooft wat voor je verstand moeilijk te accepteren is.
Dan moet je voor het geloof je verstand maar even opzij zetten, af en toe’.

Maar klopt dat wel?
Betekent geloven dat je je verstand af en toe aan de kant moet zetten?
Dat je het offer van je verstand maar moet brengen? (Sacrificium intellectus).
Ik heb juist geleerd heb dat je óók met je verstand God moet liefhebben en dus niet je verstand uitschakelen.
Als ik mijn verstand uit zou moeten schakelen dan zou ik mezelf forceren en dan zou ik anderen, u dus,  uit moeten nodigen om dat ook te doen.
Dat kan ik niet en dat mag ik ook niet; ik mag u niet vragen of dwingen om uzelf te forceren dit verhaal ‘letterlijk’ te geloven.
Dan zou ik mezelf en u een vorm van geloof voorhouden die vooral over het ‘dat’ gaat, over het voor waar houden van allerlei dingen (fides quae creditur).
Terwijl geloven ook altijd – en misschien wel vooral – over het ‘wat’ gaat (fides qua creditur), over wat het geloof met mij doet en over wat ik met of in geloof doe.
Dat betekent overigens ook dat als u zou zeggen, voor mij is dat nou juist wel geloven – dat voor letterlijk houden van die verhalen – dat ik u ook niet mag dwingen om te zeggen dat dat niet kan of dat dat niet klopt. Dat ‘voor waar houden’  is namelijk ook geloof.

2.

Er is nog een andere reden waarom ik moeite heb met dit verhaal: als je dit verhaal in de kerk leest kan he heel pijnlijk zijn voor mensen die een kind hebben verloren aan de dood.
Want waarom kon die tiener uit Naïn wèl worden opgewekt en verder leven en ons kind niet?
Diezelfde vraag kan ook gesteld worden door ouders die hun kind verliezen aan het leven.
Als het leven van hun kind zo anders gelopen is dan ze gehoopt hadden.
Dat kan heel zwaar zijn.
Niet alleen voor die ouders maar ook voor het kind zelf.
Het is zo zwaar om te zien dat je kind zo worstelt, dat ouders misschien wel begrijpen dat dit haast geen leven is, maar ze staan er verder machteloos bij.
Of ze staan op een afstand omdat afstand de enige manier lijkt om dat leven een kans te geven en om nog een beetje contact te houden.
Reden genoeg dus om zo’n tekst in alle eerbied maar te passeren en te zeggen: dat doe ik maar niet want ik kan het niet, en ik kan het niet met de mensen in de kerk.
Dus laten we dit verhaal maar overslaan.
Maar dat heb ik niet gedaan.
Ik heb mij in het verhaal gewaagd.

3.

Dat heb ik gedaan op de manier waarop we dat gewend zijn bij bibliodrama.
Wij vragen ons dan af bij zo’n verhaal: welke rol zou ik kiezen.
Als ik in dat verhaal ga staan, mij identificeer met iemand in dat verhaal hoe wordt het Woord van God dan levend?
Hoe komt het tot leven in of door mij?

Ik ben dat voor mezelf nagegaan bij dit evangelieverhaal en ik nodig u uit om die verkenningstocht met mij mee te maken.
Laten we die spelers maar langs gaan in volgorde van opkomst.

  • Zou ik de rol van Jezus willen spelen als hij onderweg is naar Naïn?

Nou nu maar even niet.

Want ik probeer wel te geloven, ik probeer wel christen te zijn, om de naam van Christus te dragen, en ik voel dat vaak ook nog wel wat extra vanwege mijn bestaan als dominee, maar… maar al te vaak voel ik me ook machteloos.
In het verhaal dat aan het bezoek aan Naïn voorafgaat heeft Jezus nog de slaaf van een Romeinse Centurion genezen. Op afstand nog wel…
Ik zou die kracht, dat vermogen misschien ook wel willen hebben maar dat heb ik niet.
Zeker in het pastoraat kom ik dat regelmatig tegen: dat ik me beperkt voel.
Dat ik wel meer zou willen doen maar niet weet wat of hoe en dan maar denk: dit is dan, meer kan ik niet doen, al zou ik nog zo graag willen.
Vanwege die machteloosheid dus maar even niet de rol van Jezus.

  • Dan de rol van een leerling een discipel maar?

Ja, dat kan, ik voel me wel in de buurt van Jezus en ik blijf toch ook wel nieuwsgierig naar wat dat nou is met Jezus.

Is hij vooral een wonderdoener?
En wat voor effect zal dat oproepen op den duur?
Nu al is er een grote menigte die achter ons, achter hem aan loopt.
Wordt Jezus een superster?
Of is het een hype en dus volgende week of volgende maand weer over?
Dat maakt ook wel dat ik aarzel.
Als het nou niet goed gaat met Jezus, als het een teleurstelling wordt, als het bedrog blijkt te zijn…
Dan schaam ik mij straks dood…
Nee, leerling of discipel is nu ook niet helemaal mijn rol.

  • 3. Zou ik dan bij de menigte willen horen die met Jezus mee loopt naar Naïn?

En hoe loop ik dan mee?
Opgewonden?
Wie weet wat er nog meer gaat gebeuren, want Jezus kan wel wat…
Als hij al zieken op afstand kan genezen, kan hij dan nog meer?
Kan het nog grootser en indrukwekkender?

Maar ik aarzel al.

Zo opgewonden word ik niet meer van wonderverhalen als westerse mens in de 21e eeuw.
En als het over geloof en christendom gaat dan sta ik ook niet bij voorbaat te springen van enthousiasme.
Er is teveel gebeurd in de kerk – in mijn kerk ook – en in de kerkgeschiedenis en in de contacten met andere godsdiensten om een vurige en onkritische volgeling te zijn.
Ik kan wel enthousiast worden, maar ik zal ook altijd kritisch blijven.

4.

Maar dan komt er spanning in het verhaal.
Als Jezus met zijn leerlingen en de mensen die met hem meelopen bij de muur van het stadje aankomen loopt het verkeer vast bij de poort.
Jezus en zijn gezelschap willen door de poort de stad in.
Maar er is ook een gezelschap dat door de poort de stad uit wil.
Het is een begrafenisstoet; van een grote begrafenis; niet één in besloten kring.

  • Ik zou me wel kunnen identificeren met de mensen die meelopen in de begrafenisstoet.

Ik zou mijn medeleven kunnen laten blijken door mijn aanwezigheid.
Misschien wel een beetje uit nieuwsgierigheid ook maar ik zou er vooral willen zijn uit solidariteit, medeleven, uit compassie zo u wilt, om steun te geven.
Opdat die moeder de kracht van de gemeenschap van mensen om haar heen voelt!

  • In die lijn gedacht zou ik ook wel één van de dragers kunnen zijn – de volgende rol – één van de mensen die de lijkbaar dragen.

En dan niet als een student met een bijbaantje bij de begrafenisondernemer, niet voor de bijverdienste, nee, vrijwillig als buurman of als goede vriend, iemand die graag helpt, vooral op een praktische manier.
Er zijn voor iemand door concreet iets te doen.
Ja, dat zou een rol zijn die goed bij mij past.

  • Want de volgende rol is die van de moeder.

Die zou ik niet zomaar kunnen spelen denk ik.
Ik draag ook wel verdriet in mijn mee en ieder van ons doet dat – allerlei soorten verdriet dragen wij in ons mee – maar ik draag ander verdriet in mij en op een andere manier dan die moeder.
Wie de rol van die moeder met haar verdriet wil spelen, moet daarvoor naar het verdriet dat diep in jezelf ziet.
En ik denk niet dat ik dan bij het verdriet van die moeder kan komen.
Ze is al weduwe, ze heeft haar man al weggebracht, en nu ook nog haar zoon, haar enige hoop en steun voor de toekomst.
Dat is diep, gelaagd verdriet.

Er zit ook nog ironie in het verhaal.

Want het stadje waar zij woont heet Naïn.
Dat betekent spruit of nakomeling of stamhouder… jawel, maar dus niet voor deze moeder; geen stamhouder voor deze moeder.
Ik zou die rol dus niet zomaar in kunnen vullen, vooral niet uit respect voor de omvang en de diepte van het verdriet van die moeder.

  • En dan blijft er nog één rol over, dat is de rol van die dode jongen.

Maar die kan ik natuurlijk ook niet spelen want ik leef nog.
Goddank wel, ik ben er elke dag weer blij mee.
Of…
Als ik nou denk aan al die aarzelingen bij het geloof, die ik weliswaar bescheidenheid noem, maar die heel vaak ook machteloosheid is, heb ik dan wel zo’n levend geloof of zit er niet zo heel veel leven meer in?
En ze dragen die jongen de stad uit…
Naar de rand van de samenleving.
Ken ik dat gevoel niet?
Dat gevoel van dat kerk en geloof langzamerhand op weg zijn naar de poort, naar de rand van de samenleving om uitgedragen te worden als een dode, als een irrelevant..?
Want wie ontleent nog verwachtingen aan het geloof, wie vestigt er nog hoop op het geloof, wie vindt nog houvast in de kracht van het geloof?
Jammer, het zal zijn functie wel gehad hebben, maar het voelt niet meer als iets van deze tijd…
Hoeveel mensen hebben al niet de conclusie getrokken dat het geloof wel weg gedragen kan worden.
Laten we het maar door de poort naar buiten schuiven…

Hoe vaak ook hoor je mensen niet zeggen ik zou wel willen geloven en ik zou wel meer willen geloven maar ik kan het eigenlijk niet of in ieder geval niet genoeg.

En als ik het al zou kunnen zou ik dan ook uit durven komen voor mijn geloof, heb ik er dan de woorden voor om uit te leggen wat het geloof betekent en hoe ik mij verhoud tot ongeloof?
Want ik zie niet zoveel kans om uit te leggen wat het geloof voor me betekent in de dingen die ik doe.
In mijn werk, in mijn vrijwilligerswerk weet ik voor mezelf wel dat ik de motivatie ontleen aan het geloof, maar als ik dat uit ga leggen hoor je al gauw: ja prima allemaal, maar doe jij nou maar je ding en doe het goed, maar houd die toelichting over je geloof maar voor je.
Er zit veel dood in die manier van denken over het geloof en over jezelf.

5.

Maar het past niet in onze wereld om dat toe te geven.
Nou, misschien nog wel op het punt van geloven.
Dat je met het geloof in de knoop zit dat kun je nog wel uitleggen.
Maar verder leven wij in een wereld waarin je niet hoort op te geven of je zwakte toe kunt geven.
Als het allemaal even niet meer lukt dan wordt ons aangeraden om opnieuw te focussen.
Dan moet je terug naar de bron van je energie, dan moet je ‘rebirthen’,  je moet weer vanuit je focus in je kracht komen want dan kun je weer vlammen.
En als je denkt dit is mislukt dan moet je vooral op zoek naar de verbeterpunten…
Als je denkt dat je in dood tij terecht bent gekomen dan moet je weer hard op zoek naar een goeie flow.
En om daar in te komen moet je een strak plan maken, moet je je prioriteiten stellen.
Je moet vanuit je focus komen tot weten wat je wilt  en dan een stappenplan maken en dat dan goed uitrollen.
Ik denk wel eens: wat zit dat dicht bij de ontkenning van dood tij.
De ontkenning van de dood ook.

6.

Op dat punt kan Daniël helpen.

Dat lijkt even een gekke zijstap, maar hij helpt ons aan een belangrijk inzicht.
Daniël is niet zo’n makkelijk boek, maar het beschrijft in ieder geval ook zo’n situatie van dood tij.
Het verhaal gaat over Daniël en zijn vrienden die in de zesde eeuw voor Christus in ballingschap zijn gevoerd; gedwongen migranten.
De meeste geleerden zeggen overigens dat Daniël geschreven is als een soort codeboek rond 170 voor Christus, uit verzet tegen of ontzetting over de Griekse overheerser in die tijd, Antiochus Epiphanes.
Die heerser, die heiden, had het heilige der heilige in de tempel in Jeruzalem ontwijd door daar een groot afgodsbeeld neer te zetten.
Een gruwel was dat voor de Joden.

Midden in de crisis van dat bestaan en in de crisis van het geloof ook, gaat Daniël bidden.
Dat gebed is onderdeel geworden van de gebeden die door de Joden worden gezegd op de Grote Verzoendag die dezer dagen weer gevierd is.
En hoe bidt Daniël?
Hij protesteert niet tegen God, hij vraagt niet: wat bent U nou eigenlijk voor een God?
Hij roept niet:
‘Dat geloof stelt toch allemaal niks voor, en u zelf misschien ook wel niet’.
Hij geeft niet af op God en hij geeft God niet op.
Daniel gebruikt in zijn gebed belijdenistaal; hij zoekt een verklaring voor het dode tij waarin ze terecht gekomen zijn.
Met die verklaring kun je het eens zijn of niet, maar wat hij doet is naar zichzelf kijken en niet de schuld bij God leggen.
Hij begint bij wat hij en zijn volk niet voor elkaar hebben gekregen.
Zonde noemt hij dat, het is niet geworden wat U en ook wij zelf gehoopt hadden.

Wat hij dan doet is pleiten op Gods aanwezigheid in de geschiedenis als bevrijder.

Hij komt bij de oerbelijdenis van Israël, namelijk:
U hebt ons ooit uit de hopeloosheid van Egypte verlost.
Red ons dan ook nu weer uit dit doodgelopen bestaan.
U bent toch niet voor niets met ons dat experiment van de bevrijding begonnen?
Dat geloof, die traditie heeft al geweldig veel teweeggebracht.
En daarop pleit Daniël.
Hij geeft aan dat ze in dood tij terecht gekomen zijn, en vraagt aan God:
Open uw ogen voor ons en schenk ons uw barmhartigheid.
Geef ons weer hoop.
Laten we niet blijven haken bij de analyse die Daniël maakt, maar vooral de hoop horen.
Gods barmhartigheid is het enige houvast dat hij nog heeft:
God zie naar ons om, juist nu wij ons zo doodgeslagen, zo dood voelen.

7.

Daar begint ook weer de energie uit het verhaal over die jongen in Naïn te stromen. Waar ik zover gekomen ben dat ik mezelf in geen van die rollen in het verhaal helemaal herken, waar ik zo ver gekomen ben dat ik me zo machteloos voel, de dood in mezelf herken…
Waar ik me moe en machteloos voel en op wil geven, vanwege die spiraal naar beneden, vanwege dat ‘ik red het niet, ik ben te klein, te ongelovig, te beperkt’, daar zet Jezus de stoet stil en raakt mijn draagbaar aan.
Dat je onrein wordt van het aanraken van een dode daar heeft hij geen last van.
En Jezus zegt tegen die dode dove oren: jongeman sta op!
En het gebeurt; hij breekt door de onmacht, door dat ‘doodgelopen zijn’ heen en hij geeft die jongen terug en zijn moeder, aan  die weduwe zonder toekomst.
Jezus geeft hem terug van zijn moeder, terug aan de samenleving.
Hij wordt niet de stad uitgedragen, maar hij gaat de stad weer in met zijn moeder met Jezus en met al die  mensen die Jezus en de baar volgden.
Dat is evangelie: dat je niet hoeft vast te lopen in je machteloosheid.
Dat er iemand is die jou ziet in al je geworstel met je beperktheid en je dan aanraakt en zegt: kom, ik wil jou geven, aan je moeder, aan de stad, aan de kerk, aan Oegstgeest, aan de samenleving, aan de wereld.

Ik GEEF jou, aan het leven.

Kom, sta op, je denkt toch niet dat ik ‘niets’ geef als ik jou aan het leven geef…

Evangelie is dat ik zo naar mezelf, dat wij zo naar elkaar mogen kijken: als aan elkaar gegeven door God.
Dat we zo naar de kerk mogen kijken: door God aan de wereld gegeven met het oog op het leven.

8.

Daar loopt dat verhaal dus op uit.
Niet op een geweldige sensatie, niet op mensen die nieuws hebben voor de bladen, het gaat niet om het verbazingwekkende van het feit dat die dode jongen weer leeft.
Nee, ze spreken over Jezus als een profeet.
Het gaat niet om de sensatie maar om het herkennen van Jezus als een groot profeet.
Net als de profeet Elia en de profeet Elisa.
Die hebben ook ooit een kind teruggegeven aan zijn moeder, een mens aan een mens gegeven en zo toekomst gegeven.
Dat zien in Jezus, een groot profeet.
In Jezus zien zij dat God naar mensen omziet en mensen aan elkaar geeft.
Gods barmhartigheid, Gods omzien naar mensen is niet om vooral te kijken naar de aarzelingen bij het geloof, naar het gevoel van machteloosheid.
God ziet naar mensen om om ze aan elkaar te geven.
Geloven is de stem van Jezus kunnen horen.
Jezus staat stil bij mij in dood tij.
Hij ziet me in al mijn aarzelingen en onmacht.
En ik hoor: sta op, want ik wil jou aan het leven geven.
Aan je moeder, aan jezelf, aan wie je dierbaar zijn, aan de kerk, aan de samenleving.

Als God bij je stil staat en je ziet, dan ben je er niet geweest…dan mag je er zijn!

Amen