Baruch 2: 9-15 en  Efeziërs 4: 1-6                                                 RBK, 8 oktober 2017

Thema: Paulus’ kijk op de Joods-christelijke traditie: verzoening, geen uitsluiting!

Inleiding

Omdat het eind van deze maand 500 jaar geleden is dat Maarten Luther zijn stellingen voor een theologische discussie aan de deur van de slotkapel in Wittenberg ophing, volgen wij dit jaar de Bijbel het Lutherse leesrooster.

Vandaag een stukje uit Baruch.

Afgelopen donderdagavond kwam Ellen, ouderling van dienst en lector vandaag, naar me toe met een vraag over de Bijbellezingen voor vandaag. “Het boek Baruch waar je uit wil laten lezen staat niet in mijn Bijbel…” Dat komt omdat Baruch een deutero-canoniek boek is.

Canoniek komt van het woord canon: “een gezaghebbende lijst van boeken”. Wat wij het Oude en het Nieuwe Testament noemen zijn twee verzamelingen van Bijbelboeken. Op een gegeven moment in de geschiedenis is vastgesteld: deze boeken nemen we wel op in de lijst, in de verzamelbundel die we “Bijbel” noemen, en anderen… ja die dus niet. Er zijn dus boeken in de Bijbel, in de verzameling Bijbelboeken, opgenomen waarvan niet al lang van tevoren vast stond dat ze erin opgenomen zouden worden. Over het boek Daniël is lang gepraat bij het vaststellen van de canon OT. Over het boek Openbaring is veel discussie geweest voordat het in het NT werd opgenomen. Het evangelie volgens Thomas is een voorbeeld van wat niet in het NT werd opgenomen.

Er zijn dus boeken die er “op het nippertje” wél in zijn opgenomen en er zijn ook boeken die er op het nippertje juist niet in zijn gekomen. Die boeken waren wel bekend en er waren “schriftgeleerden” die van mening waren dat in die boeken ook “Woord van God” boodschappen voor het geloof stonden, maar de “papieren” van zo’n boek waren dan toch niet sterk genoeg om in de officiële lijst/canon opgenomen te worden. Die boeken kwamen op een tweede lijst, de deutero-canon. Vandaar de naam deuterocanonieke boeken. De geleerden zijn het er niet over eens of dat alleen een kwestie van volgorde is: een eerste lijst en een tweede lijst. Of dat het ook rangorde betekent: eersterangs, en tweederangs. Eredivisie en Eerste divisie. Luther vertaalde in ieder geval ook de deutero-canonieke boeken.

Een andere naam voor die deutero-canonieke boeken is: apocriefe boeken. Apocrief betekent: verborgen, een beetje duister of obscuur. De eerste, gezaghebbende vertaling van de Bijbel in het Nederlands, de Statenvertaling (1618/1619) nam de deutero-canonieke boeken wel op in de Bijbel maar met een waarschuwing. Er staan historische fouten in en gedachten die niet kloppen met de officiële lijn van het christelijk geloof. Maar er zijn ook wel goede spreuken en voorbeelden in te vinden, dus met een waarschuwing vooraf kun je die deutero-canonieke boeken best lezen…

De deutero-canonieke boeken zoals wij ze kennen zijn voor het merendeel geschreven in de periode tussen het Oude en Nieuwe Testament in. 400 v Chr. Vandaag lezen we een stukje uit Baruch. Baruch kennen wij als de secretaris van de profeet Jeremia. In het Boek Jeremia komt Baruch 23 keer voor. Mooie naam overigens: Baruch betekent “Gezegende”. Wij kennen die naam ook nog van Spinoza, de joodse filosoof, Baruch d’Espinoza. Of van de vorige president van de Verenigde Staten, Barack Obama: Barack is de Arabische uitspraak van het Hebreeuwse Baruch.

Nu is het boekje Baruch wel genoemd naar de secretaris van Jeremia, maar niet door hem geschreven. Dat kwam wel vaker voor in die tijd; men gebruikte een bekende naam om het boek “gezag” te geven. Maar ook wat de inhoud betreft komen we gedachten tegen die we ook kennen uit het boek van de profeet Jeremia.

In hoofdstuk 6 staat een zogenaamde brief van Jeremia. Die gaat over afgodsbeelden en de verering daarvan. Het is bijna een Arjan Lubach-achtige tekst, bijbels cabaret, zoals we die ook vinden in Jesaja 44: 9-20 en Jeremia 10: 1-16.

Zou mooi zijn om te lezen, maar dat komt een andere keer.

Nu lezen we Baruch:

Het volk Israël zit in ballingschap in Babel en Baruch bidt… hoofdstuk 2: 11-15. 

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,

1.

Ik zou gauw klaar kunnen zijn met de preek vandaag. Er is geen woord Frans bij in de woorden van Paulus aan de christenen in Efeze. Ik sla alle discussie over of deze brief wel echt door Paulus is geschreven en waar dan en aan wie dan precies, maar even over.

Nu direct naar de tekst:

Paulus zit gevangen in Rome. Hij onderhoudt goed contact met de christelijke gemeenten die hij heeft mogen stichten en hij schrijft vanuit zijn gevangenschap brieven aan die gemeenten. Hier vraagt hij aan zijn lezers – en wij horen daar vandaag ook bij – Ik vraag u dringend de weg te gaan die past bij de roeping die u hebt ontvangen…

De eerste betekenislaag is die van de betekenis voor de christenen, de kerk, de kerkelijke gemeente. Dus lees deze tekst maar eens voor uzelf, voor de kerk die we samen proberen te zijn, en we zouden stof tot nadenken genoeg hebben – een weg gaan die bij je roeping past. Gaan we die weg, persoonlijk en als kerk? Hebben we een min of meer duidelijk besef van roeping, zeg maar bestemming in ons leven? Geloven heeft met zingeving of zinbeleving te maken. Hoe ligt dat op de weg die wij gaan, met bochten en kruispunten, hoogte- en dieptepunten? Zit er richting in, richtingsbesef en hou houden we dan koers? Diezelfde vraag kunnen we ook stellen voor de kerk, aan onze gemeente, de PKN, de kerk wereldwijd. Het is een grote, open vraag, die eigenlijk altijd en overal weer op tafel komt.

2.

Als die vraag van net je al niet vanzelf in die houding brengt, dan schrijft Paulus nog maar even op met welke houding je je met die vragen bezig moet houden. Wees steeds bescheiden, zachtmoedig. En lankmoedig: dat betekent: lang geduld hebben, met jezelf en met elkaar. Dat is mooi: wel kritisch zijn en blijven op elkaar en jezelf, maar doe dat zachtmoedig. En verdraag elkaar in liefde. Je zou er bijna een balkje in een elektronisch enquêteformulier van kunnen maken: Hoe hoog scoort u op een schaal van 1-10? Bij dat richtingsbesef, en in die houding? En wilt u dat toelichten? Voor uzelf en voor de kerk. Het zou stof voor gesprek genoeg opleveren.

3.

Span u in om de eenheid van de Geest te bewaren door de samenbindende kracht van de vrede. Paulus gebruikt hetzelfde woord voor “gevangen” zitten, gebonden zijn vanwege of in de Heer en de bindende kracht van de vrede. Die kracht van de vrede, die band met de Heer brengt de eenheid van de Geest. En dan noemt hij de woorden, gebruikt hij alle beelden, die in de kerk de verbondenheid weergeven. Die het unieke karakter van die groep mensen die de christelijke gemeente of gemeenschap uitdrukken. Eén lichaam, één geest, één hoop op grond van één roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en vader van allen, die boven allen door allen en in allen is. Dus: bezinning op je bestemming en de weg die je gaat, persoonlijk en als kerk. En voor de houding waarmee je met elkaar over die dingen spreekt/eraan werkt en de uitgangspunten waarmee je naar jezelf en naar de anderen kijkt, geldt vooral: Kijk naar elkaar en naar jezelf via de ogen van God, via Jezus. Zie jezelf en elkaar eerst en vooral via hoe God naar jou en de ander kijkt.

4.

Want dat maakt je tot één lichaam en één geest.

Dan sta je samen voor het belangrijkste in het leven: Gods nieuwe wereld. Voor Paulus is het belangrijkste de verzoening met God en mensen, die band van vrede, op alle niveaus die je bedenken kunt. In de brief aan de Efeziërs is Paulus veel bezig met wat hij noemt het lichaam van Christus: één lichaam en één geest. Dat vraagstuk heeft alles te maken met de grote ontdekking die Paulus gedaan heeft: dat Joden en heidenen (dat zijn in het joodse denken de mensen van andere volkeren) samen ‘christenen’, kinderen van God de Vader kunnen zijn.

En dat was een revolutionair nieuwe ontdekking geweest voor Paulus.

Die nieuwe relatie tussen de Joden en de volkeren, dat dat niet twee elkaar uitsluitende groepen hoefden te zijn, maar dat die twee één lichaam konden vormen vanwege het ene hoofd: Jezus Christus! Zijn geest maakte die twee verschillende groepen tot één lichaam. Paulus geeft daarmee een enorm sterke en dynamische betekenis aan wat wij tegenwoordig de Joods-Christelijke identiteit noemen.

5.

Die combinatie ‘Joods-Christelijk’ is nog erg jong.

Pas na de WO II zijn we in West-Europa gaan inzien hoe fout het is gelopen in de geschiedenis van de theologie en de westerse wereld in de relatie tussen het joodse volk en de andere volken. Pogroms en allerlei andere vormen van joden vervolging, vijandigheid tussen Joden en Christenen en de gruwelen van de holocaust, genocide, vernietiging van de Joden: dat was tot en met de WOII de traditie van de verhouding tussen Joden en Christenen. Dat is een heel ander verhaal dan wat nu in zwang is gekomen in het maatschappelijk en politieke debat in onze samenleving: joods-christelijke traditie als vormend principe en fundament van onze identiteit als Nederlanders en Europeanen. 

6.

We hebben vanmorgen twee verschillende visies op die verhouding Joden en niet-Joden (volkeren) naast elkaar gezien. Baruch bidt dat God zijn volk de Joden verlost uit de ballingschap en weer terugbrengt naar Israël. Hij benoemt in zijn gebed eerlijk wat niet goed is gegaan. Daarin laat hij zich kennen als een profeet:

Profeten zien scherp en zeggen dat scherp. En Baruch bidt dat ze verlost worden uit Babel en weer opnieuw mogen beginnen in hun eigen land, in Jeruzalem. Met als doel de vervulling van hun roeping: de oude roeping van Abraham: dat hij en zijn nageslacht tot een zegen voor alle volkeren op aarde zouden worden! In de termen van Paulus: God breng ons terug naar ons land en dan, vandaaruit en vanuit die vrede, zullen wij onze roeping uitvoeren, de zegen die wij van U hebben ontvangen delen met alle volken! En zo bijdragen, werken aan Uw nieuwe wereld.

7.

Paulus heeft een andere weg ontdekt voor het joodse volk. Niet apart van de volken, tegenover de “heidenen”, de volken, maar samen met de volken, in één lichaam dat hoort bij dat éne hoofd, Jezus Christus, dat éne lichaam dat bij elkaar gehouden wordt door de geest van dat ene hoofd. Paulus heeft dat in zijn eigen leven meegemaakt.

Hij heeft joodse mensen die de weg van Rabbi Jezus kozen vervolgd en fanatiek ook! Maar door een ingrijpende ervaring op weg naar Damascus heeft hij ingezien dat vervolging niet de weg was.

Hij heeft ingezien dat de Jood Jezus de weg naar Gods nieuwe aarde heeft geopend. Dezelfde roeping die gold voor Abraham en zijn nageslacht, het volk Israël, is leidend geweest voor Jezus, die bijzondere nakomeling van Abraham.

Paulus is de weg van Jezus gaan volgen, omdat hij zag dat door Jezus de muur tussen de Joden en volkeren was afgebroken. Eén lichaam is bij Paulus vooral: Joden en volkeren samen als christenen, onder dat ene hoofd Christus. Niet elkaar uitsluiten maar insluiten, de kracht van de samenbindende vrede zoeken! En toelaten!
8.

De Joods-christelijke traditie… Voor Paulus is dat het voorbeeld bij uitstek van de verzoening tussen Joden en volkeren, van het afbreken van muren en samen zoeken van de weg naar Gods nieuwe wereld. Niet het isolement, maar de verbinding maakt de weg van de vrede en de verzoening mogelijk. Voor Joden en Christenen samen, persoonlijk en collectief, als kerk/gemeente en als wereldsamenleving. In dat ene lichaam onder het hoofd Jezus Christus kunnen Joden en ‘heidenen’ samen werken aan die dienst van de verzoening, aan de vrede en elkaar zo tot zegen zijn. Voor al die volken die bedoeld zijn voor Gods nieuwe wereld. In het gezamenlijk leven en beleven van die zegen zal het paas worden: één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is (Ef. 4:6)

Amen