Mijn eerste hoofdartikel in een regionaal kerkblad (Groninger Kerkbode) ooit, ging over het Wilhelmus. De dissertatie van Ad den Besten over het Wilhelmus uit 1983 was de aanleiding. Ik heb niet alles meer scherp voor de geest maar wat mij bijgebleven is, is dat het Wilhelmus zoveel Bijbelse beelden, taal en gedachtegoed bevat. Je zou het een soort psalm kunnen noemen. In het Nieuwe Liedboek voor de kerken (2013) is het dan ook (evenals in het Liedboek voor de Kerken uit 1973) als kerklied opgenomen (lied 708). Voor zondag 3 mei 2020 had ik lied 708 weer opgenomen in de orde van dienst. Dus binnen de liturgie, niet als volkslied na de dienst. Dat is voor mij een streep te ver in mijn denken over de verhouding kerk en staat.

Zondag 3 mei 2020 was de vierde zondag na Pasen. Op die zondag wordt in de traditie van de kerk het evangelie van de Goede Herder gelezen. Daarom had ik vers 14 in de Orde van Dienst gezet (een duidelijke verwijzing naar psalm 121 en andere herdersteksten in de Bijbel). Vers 14: Oorlof mijn arme schapen: de prins ziet zichzelf als herder en vraagt ‘verlof’, toestemming om te vertrekken. Hij moet vertrekken omdat hij van de koning van Hispanje niet meer voor zijn ‘schapen’ mag zorgen. De schapen zijn verstrooid (Ezechiël en de herder die het verloren schaap zoekt). De prins ziet zichzelf volgens dit lied dus als navolger van de Goede Herder. Zijn advies is: Tot God wilt u begeven (zoek je toevlucht bij God, de herder die niet slaapt, psalm 121) en neem Gods heilzaam woord aan: een richtsnoer voor rechtvaardig leven.
En dan als vrome (dappere) christen leven.
Er komt een eind aan de druk, de onderdrukking.
Een boodschap van hoop dus.

Er zijn allerlei kwesties rond het Wilhelmus die het bespreken waard zijn. Eén ervan is een vraag die onlangs voorbij kwam, is: klopt het historisch gezien wel dat Prins Willem van Oranje de koning van Hispanje altijd heeft geëerd? Hij is toch tegen hem in opstand gekomen? Daarom noemen wij Willem van Oranje toch Vader des Vaderlands?

De vraag naar het eren van de koning van Hispanje wordt in het lied zelf opgelost. Een prinse van Oranje is of hoort te zijn: vrij en onverveerd. Hij zal zijn vorst eren maar altijd onder het grote voorbehoud dat in vers 15 wordt gemaakt. Daarin ligt wat mij betreft de sleutel tot het verstaan van het hele lied. En de basis van mijn visie op democratie en de verhouding tussen kerk en staat. De koning van Hispanje moet je eren tenzij… je God de Here meer moet obediëren (gehoorzamen) ‘in der gerechtigheid’. De overheid moet je gehoorzamen tenzij je vanwege de gerechtigheid (in de brede betekenis van Bijbelse rechtvaardigheid tot en met de universele verklaring van de rechten van de mens) God meer gehoorzaam moet zijn dan mensen. Als de overheid in welke vorm of op welk terrein dan ook de gerechtigheid tekortdoet dan ben ik vanwege de gehoorzaamheid aan de Here zo vrij om bij de overheid te protesteren. Zo’n overheidsbeleid vraagt dan om het ‘onverveerd’ (moedig en duidelijk) verheffen van mijn stem. Daarom ben ik zo blij met de oproep van de Protestantse Kerk in Nederland aan de regering om 500 vluchtelingenkinderen zonder ouders, uit Griekenland op te vangen in Nederland. Lees verder

Ik zal op zondag Goede Herder (tussen koningsdag en 4 en 5 mei) de coupletten 6, 14 en 15 van het Wilhelmus ook zingen als een protestlied.

Nog een mooi verhaal. Ik heb geen wetenschappelijke bronnen die het bevestigen, maar het verhaal is me zeer dierbaar. Ooit vroeg iemand van de Nederlandse regering aan de latere eerste vice-president van Indonesië, Mohammed Hatta of hij de (koloniale) overheid die boven hem gesteld was niet moest gehoorzamen? Hatta wordt samen met Soekarno geëerd als de ‘Vaders des Vaderlands’ in Indonesië. Hij had in Rotterdam, aan wat later de Erasmusuniversiteit werd, gestudeerd. Op de vraag naar de gehoorzaamheid aan het koloniale bestuur legde Hatta aan de vragensteller de inhoud van couplet 15 van het Wilhelmus uit (zie boven). Vrij en onverveerd, als een echte vrijheidsstrijder, een vader voor zijn vaderland. Ik had het gezicht van de functionaris wel willen zien…

Het vraagstuk van een overheid die God of de godsdienst misbruikt uit eigenbelang is weer een ander verhaal, maar ook daarin heeft het laatste woord van het Wilhelmus wat mij betreft een sleutelrol!

Aart Verburg, Predikant van de PGOegstgeest