Beschrijving
van het
GROENE KERKJE
te
OEGSTGEEST

door
Mr.B.C. van Krieken.
– – – – – – – – – –

1950

Uitgegeven door de zorg van het
Gemeentebestuur van Oegstgeest.

– 1. –
 
 
Bij het Groene Kerkje te Oegstgeest.
– – – – – – – – – – – – – – – – – –
 
Toen Willibrord zijn jonge kloosterdromen,
De stille schoonheid van rijk Engeland,
Verliet om als een vreemdeling te wonen
In een verwilderd en vergeten land,

Was hij verbijsterd van de vreemde streken
Die hij aanschouwde, heidens en verhard,
En wist niet hoe hij ooit zou kunnen spreken.
Tot een zo diep veraardst en donker hart.

Als hij van Trecht stroomaf zijn schip zag glijden,
Als Noachs duif, in stilzeilende vlucht,
Tussen het warrig oeverbos bezijden.
En het diep blinken van de wijde lucht,

of in het geestland zich ter reis gereedde,
Door hei en hout voorttrok van vlek tot vlek,
Droomde zijn oog één wijde open stede
In deze wildernis, één groene plek,

Ben licht domein waar neervloeide van boven
Gods eeuwig licht door ’t duister van de tijd,
Paasmorgenlicht, waardoor een volk geloven
En met God leven zou in eeuwigheid.

En God gaf deze plek in zijn gedachten
Waar een gehoogde werf van zoden rees:
Hier werd een dodenakker der geslachten,
Hier rees het Groene Kerkje van Oegstgeest.

Wat Willibrord gezegd heeft, ging verloren,
Maar wat God stichtte, blijft voorgoed in stand,
En wie hier inkeert, wordt nog steeds herboren
En ziet Gods licht neerdalen op het land,

En deze tuin tussen de stenen steden,
Graftuin waar Jezus iedre steen verbrak,
Wordt hem een klein groen paradijs, een Eden,
Waar God in wandelde en met mensen sprak.

Muus Jacobse.

(schuilnaam van Dr. K.H. Heerema,
van 1939-1948 inwoner van Oegstgeest

– 2. –
 
 
HOOFDSTUK I.
 
 
GESCHIEDENIS VAN HET GROENE KERKJE.
 
 
     Het GROENE KERKJE, de oudste kerk van de Ned.Herv.
Gemeente te Oegstgoest, ligt op een hoogte in een scherpe
bocht van de oude straatweg naar Haarlem, aan de Noordzij-
de van het Oude Dorp, juist over het Oegstgeester Kanaal.
     De naam “GROENE” Kerkje heeft het gokregen door de
begroeiing met klimop. Door zijn ligging is hot tot in ver-
re omtrek zichtbaar.
     Het kerkgebouw heeft steeds de belangstelling van ve-
len getrokken. De kerk kan bogen op een oude geschiedenis,
al dateert het bestaande gebouw in zijn huidige staat eerst
uit het jaar 1830.
     Vroeger stond aan de Westzijde een sierlijke toren,
die na in 1825 wegens de bouwvallige staat reeds gedeelte-
lijk te zijn afgebroken, in 1830 geheel is verwijderd.
(Zie voor nadere bijzonderheden over deze afbraak Hoofdstuk
II).

     Algemeen wordt aangenomen, dat op de plaats waar nu het
Groene Kerkje staat, een der eerste kerken van ons land
heeft gestaan. Met recht mag gezegd werden, dat wij ons hier
op historische grond bevinden. In Oegstgeest zelf troffen
wij namelijk reeds een van de oudst-bekende Hollandse dorpen
aan.

     Het is dus niet te verwonderen, dat hier ook een van de
oudste kerken wordt aangetroffen.
     Voor het eerst wordt de Kerk van Oegstgeest vermeld
in een oorkonde van 1063 als de moederkerk van andere kerken.
In de 9e eeuw wordt bovendien reeds melding gemaakt van de
Kerk te Kerckwerve, onder welke naam Oegstgeest lange tijd
bekend is geweest.
     Op de plaats, waar nu het Groene Kerkje staat, stond
vermoedelijk toen reeds een houten kerkje.
     Dit kerkje was genoemd naar de apostel Willibrord
(658-739) en word in oude brieven vermeld gevonden als Sinte
Willibrordskerk. Willibrord landde op een Meimorgen van het
jaar 691 met elf medewerkers op het strand ergens tussen
Wassenaar en Katwijk en trok vervolgens naar Utrecht om van
daar uit vijftig jaar lang zijn arbeid te verrichten.
     Volgens da overlevering zou de kerk te Oegstgeest door
Willibrord zelf zijn ingewijd. Het is echter moeilijk aan te
nemen, dat indien Willibrord de stichter van de kerk is ge-
weest, deze haar aan zich zelf zou hebben gewijd.
     Een oude legende weet dan ook te vertellen, dat Willi-
brord na zijn dood de kerk heeft ingewijd. Toen hij eens
langs de in aanbouw zijnde kerk kwam, zag hij daar de werk-
lieden timmeren, waarbij hij toezegde de kerk te zullen
komen inwijden. Zijn dood in 739 heeft hem niet weerhouden
om deze belofte in te lossen.

– 3. –
 
 
     Deze overlevering, te vinden in “Helden Gods”, legen-
den van Nederlandse heiligen, verzameld door E. Lagerwey,
zegt hierover het volgende:
     “Maar de schoonste herinnering aan hem (Willibrord)
hebben de Oegstgeesters. Hun gewerd geen tijdelijke gave,
zoals den Vlissingers, wier ledige wijnflessen meermalen op
wonderbare wijze werden gevuld, maar zij ontvingen een gro-
te geestelijke zegen. Dit verhalen de oude gedenkboeken:
toen Sint Willibrord hun dorp bezocht, vroegen-de huislieden,
dat hij hun nieuwe kerk, die nog niet geheel voltooid was,
zou komen inwijden -.
Hierop stelde de heilige bisschop een dag vast, waarop zij
alles tot de inwijding gereed moesten maken. Maar daar die
dag werst enige maanden later zou vallen, en de bisschop
reeds zo oud en zwak on vermoeid was, werd het volk over dat
uitstel zeer bedroefd en daarom troost te hij hen met de woor-
den: Hetzij levend of dood, ik zal zeker komen. Maar gelijk
de Oegstgeesters wel hadden gevreesd, stierf de bisschop
binnen de beloofde tijd. Niettemin heb ben zij in het volle
yertrouwen op zijn belofte tegen de bepaalde dag alles
ter inwijding hunner kerk gereed gemaakt. En zie, er kwam een
heldere, klare lucht over het land, met een zachte regen
gemengd, zodat als door ons hemels dauw alles besprenkeld
werd, wat tot de kerk behoorde, gelijk het met wijwater
pleegt te gesohieden. Ook hoorde men het gezang der engelen,
en vond men als door onzichtbare hand op de vloer der kerk
de letters getekend, die daar behoren te staan. Ja, binnen
de kerk dropen de muren van een olieachtig vocht, zodat men
wel duidelijk verstond, dat de heilige vader Willibrord het
woord, aan zijn Oegstgeester kinderen gegeven, had gestand
gedaan. Ook heeft nooit iemand getwijfeld, of de kerk van
Oegstgeest is op waarlijk wonderbare wijze ingezegend door
de zalige bisschop.”
     Inderdaad een wonderlijke geschiedenis, een legende.
Maar toch mogen wij hieruit opmaken, dat de namen van Oegst-
geest en Willibrord wel op zeer bijzondere wijze aan elkan-
der zijn verbonden.
     Ook is de veronderstelling, dat de stichtingsdatum van
de kerk op omstreeks 740 gesteld moet worden, niet al te
gewaagd.
     Dat de herdenking van de 1200ste jaardag van het ster-
ven van Willibrord op 7 November 1939 ook in de Groene
Kerk plechtig werd herdacht, behoeft geen verwondering te
wekken.

     Is de heuvel waarop het Groene Kerkje staat, een vroe-
gere Romeinse burcht geweest? Hierover zijn de meningen ver-
deeld. Da Heer W.J.J.C. Bijleveld in een artikel in het
Leids Jaarboekje van 1917, meent, dat we hier te doen hebben
met een der hoogte binnenduinen.
     Frans van Mieris in zijn “Beschrijving der Stad Leyden”
1770, is echter van oordeel dat hier een Romeinse sterkte
is geweest. Hij zegt (2e deel, pg 614) o.a. het volgende:
“zy staat op eene verhevene hoogte boogsgewyze nedergaande,
die met diggelen en scherven van Romeins aardewerk bezaaid
is, zynde naar de meening van den Oudheid-kundigen Oudaan
(Roomsche mogendheid pg. 21 & 22), eene Romeinse sterkte
geweest, alzoo de stukken en brokken onder deezen heuvel
ongeroerd leggen.”.

– 4. –
 
 
     In het Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden
en Gezichten (2e deel), 1770 wordt hetzelfde beweerd. Hier-
in wordt er ook nog op gewezen dat de Kerktoren van tras-
stenen is opgebouwd.
     De hoogte van deze heuvel werd zodanig bevonden “gelyk
hem voor waarheid bericht is”, dat de drempel van de kerkdeur
waterpas lag met de opperste spita van de Spaarndammer Toren.
     Een ernstig onderzoek naar de vraag of hier een Romeinse
burcht is geweest is voorzover bekend, nimmer geschied. Door-
dat de heuvel later als begraafplaats is gebruikt, is dit on-
derzoek ook wel zeer bemoeilijkt.
     De Noormannen, die in de 9e eeuw ons land bezochten en
veel onheil aanstichtten, schijnen ook het houten kerkje te
Oegstgeest vernield te hebben, wat volgens de overlevering in
858 zou zijn geschied.

     Het is echter niet aan te nemen, dat de bewoners van de-
ze streken lang zonder eon kerk hebben willen blijven. De
nieuwe kerk werd van steen gebouwd; vast staat, dat vóór het
jaar 1000 een stenen kerk, kleiner dan de huidige, de houten
kerk was komen vervangen. Op de grondslagen van deze stenen
kerk staat nog steeds de Groene Kerk, zodat in deze eeuw het
1000 jarig bestaan van de kerk herdacht zou kunnen worden.

     Hoe hebben we ons de toestand van deze streek omstreeks.
het jaar 1000 te denken? 1)
     De veenstreek in deze omgeving was moeilijk bewoonbaar,
zodat alleen tegen de uit de Romeinse tijd overgebleven Rijn-
dijk en op de kleiboorden der wateren hier en daar hofsteden
of vissershutten werden aangetroffen. Op de als eilanden op-
rijzende geestgronden en binnenduinen was daarentegen een tal-
rijke bevolking gevestigd.
     Echternach en Utrecht hadden er tal van kerken en kapel-
len, waaronder ook de z.g. Willibrordus-kerk te Kerckwerve.
     De eerste graven van Holland grepen gaarne naar de onbe-
heerd liggende kerken en goederen van de gesacculariseerde
abdij van Echternach, om er Egmond mee to doteren, wat in de
wilde Noormannentijd met het oog op zijn verdienstelijke
houding tegen de gemeenschappelijke vijand getolereerd werd,
dooh later aan hun nazaten zou ingepeperd worden.

1)
Zie artikel van F. Gordon in Leids Jaarboekje 1917:
De Grafelijke domeinen in Rijnland tot 1300, waaraan een
en ander is ontleend.

– 5. –
 
 
     Graaf Dirk V (1061-1091) ontving van Bisschop Willem
in 1076 alles wat deze uit de Stoel van Utrecht uit welke
hoofde ook binnen bedoelde grenzen in bezit had, n.l.
de kerken van Echternach met de helft hunner tienden, die
Bisschop Willem bij een verdrag van 28 December 1060 met
de abt der wederom herleefde abdij, voor Utrecht bedongen
had, n.l. de kerk te Kerckwerve met hare kapellen:
Rijnsburg, Warmond Leiden, Rijnsaterwoude, Askeleckerwald
(Jaapwoude).

     De graaf deed moeite met Echternach tot een accoord
te komon e.a. over de kerk van Kerekwerve. Dit lukt een van
zijn nakomelingen eerst in 1156, toen Echtornach aan de
grafelijkheid haar recht op die kerk overliet in
ruil tegen elders gelegen grafelijk domein.

     Hoe belangrijk de Kerk te Oegstgeest was, blijkt ook
wel hieruit, dat Leiden oorspronkelijk in twee delen was ge-
splitst, dat eensdeels onder Oegstgeest, en andersdeels onder
Leiderdorp behoorde. De scheiding van de twee gehuchten, zo
in het geestelijke als in het wereldlijke, was in het midden
van de Mare. 2)
     Uit hoofde van dit onderscheiden gezag waren de bewoners
ten westen van de Mare in het geestelijke aan de Kerk van
Oegstgeest onderworpen, zowel voor het dopen van de kinderen,
als voor het begraven van hun doden. Het is hierdoor, dat de
aldaar gebouwde Vrouwe Kerk, een dochter van die van Oegst-
geest geheten werd. Deze kerk, ook Mariakerk genoemd, en
later de Waalse Kerk, is inmiddels afgebroken.
     Zoals we reeds gezien hebben, was de kerk vermoedelijk
reeds van de tijd van Willibrord af in het bezit van de
abdij van Echternach in Luxemburg. Wellicht was hier sprake
van een schenking van Karel Martel.
     Via de graaf van Holland was de begeving van het ambt
van pastoor vervolgens aan de abdij van Rijnsburg gekomen.
     Daarom was het mogelijk, dat zoals van Mieris schrijft
(pg. 86), de abdis van Rijnsburg “met goedkeuring van den
Parochiepaap van Oegstgeest bewilligde, dat de nieuw gemaakte
kapel te Leiden tot cen Parochiekerk gewyd zoude worden,
mids behoudende haar recht, en de Cureit van Oegstgeest
zyn recht”. Dit was in het jaar 1364.
     Het was toen nog slechts enkele jaren geleden, dat de
weg van Leiden naar Oegstgeest word aangelegd (1349).
     De kerk was nog het enige offičle gobouw. Een “raadhuis”
was Oegstgeest nog niet rijk; dit komt vermoedelijk eerst
tegen 1500.

2). vgl. Frans van Micris, Beschryving der Stad Leyden,
     1e deel, 1762, pg. 11.

– 6. –
 
 
     Als eerste pastoor vinden we in het jaar 1312 een
Johan van den Kerkwerven genoemd, uit welke naam valt op te
maken, dat deze hier geboren is.
     Met de oprichting van de bisdommen is de pastoorsbenoe-
ming overgegaan aan het bisdom Haarlem.
     De kerk was inmiddels herhaalde malen uitgebreid en
schijnt voor z’n tijd vrij groot geweest te zijn.
     De toren is in het midden van de 15e eeuw gebouwd, naar
blijkt uit een verklaring van Kerkmeesters, Floris Ewoutszoon
en Jacobszoon dat de Kerk een halve morgen lands aan het
klooster Mariënpoel heeft verkocht om de torenbouw te kunnen
bekostigen.

     In de Spaanse tijd, tijdens de belegering van Leiden,
is de kerk verwoest, maar wanneer en door welke partij dat
is geschied, is moeilijk met zekerheid uit te maken.
     In de geschiedenis van Kerk te egstgeest in het
“Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden” 1792, staat
vermeld, dat dit in 1574 door de Spanjaarden plaats vond,
terwijl bij de kwestie van de afbraak van de toren (zie het
afzonderlijke hoofdstuk hierover) door Schout en Gemeente-
raad in een adres aan de Gouverneur der Provincie wordt ge-
zegd, dat de kerk door het Spaanse Leger onder Francisco
de Valdeze, in de jaren 1573 en 1574 is vernield.
     In de jaren 1588 tot 1600 is de kerk gedeeltelijk weer
opgebouwd. Het was echter slechts een klein deel, dat hersteld
werd, gelegen tegen de in stand gebleven toren.

     In een rapport uit het jaar 1798 wordt ons een en ander
over de verwoesting en de wederopbouw nader verteld.
     Krachtens artikel 6 van de additionele artikelen van
de Staatsregeling van 1798, maakte het Uitvoerend Bewind der
Bataafse Republiek op 11 October 1798, in het vierde jaar der
Bataafse Vrijheid bekend, dat vóór 1 November van dat jaar
een beschikking moest worden genomen omtrent de eigendom van
de Kerkgebouwen en pastorieën.
     Kerkmeesters voldoden aan dit verzoek door oon opgave
in te zenden, waarbij zij or op wezen, dat nadat de Kerk in
1574 door de Spanjaards was verwoest, deze ruïne “tot
oeffening der openbare Gereformeerde Godsdienst ten kosten
van dezelve Gemeente is bekwaam gemaakt, en van tijd tot tijd
meer en meer in order opgebouwd, blijkende Aantekeninge daar
van te vinde in de boeken dor kerkmeesteren, te Beginne met
den Jaren 1589″.

     Voorts werd er op gewezen, dat het kerkgebouw bij gele-
genheid van het beleg van Leiden in brand is geraakt en bij-
na geheel vernield.
     Na de Reformatie, en wel op het einde van de 16e eeuw
is een gedeelte van de kerk door de Gereformeerden ter uit-
oefening van hun godsdienst, opgebouwd, waarmede men in het
jaar 1600 zover gevorderd was, dat het eerste vak daartoe
geschikt was gemaakt.

– 7. –
 
 
     Het rapport van de commissie uit de kerk zegt hier-
over: ” De Gereformeerde ingezetenen (en of er toen wel
andere geweest zijn, blijkt nergens) begonnen in 1588
te denken, om dit vervallene te herstellen, een school-
huis te bouwen, en de kerk te brengen tot eene min of meer
bekwame gelegenheid, om den Godsdienst daarin te kunnen
uitoefenen.
     De Puijn wierd te dien einde daer uit gekruid, en
hoe veel die moet geweest zijn, kan men nagaan uit de
posten, welke daarover in de nog overgebleevene rekenin-
gen gevonden worden, vooral wanneer men daarbij denkt, dat
men toen den gehelen dag iemand voor 51/2 st. in het werk
had, daarop kwam de dekking in consideratie, dog alles
ontbrak; in den beginne zelfs heeft men zich met een dak
van stroo moeten behelpen.
Steenen voor de vloer, hout voor de balken, en binten,
ijser voor de deuren eto. glazen voor de ramen, banken
om op te zitten, een predikstoel om in te prediken, een
bijbel om uit te lezen etc. alles was weg, alles moest
op nieuws worden aangeschaft, en is in de daad ook aange-
schaft geworden.”

     Het stuk vervolgt dan:

     “Maar, wie is er dan en dit vraagt de commissie met
alle mogelijke fiducie, die nu op het einde van de 18e
eeuw, aan het Gereformeerd Kerkgenootschap den wettigen
eigendom, daarvan zoude willen of kunnen betwisten, zon-
der de grootste onrechtvaardigheid te soutineren? En wie
kan, zonder hoon van het Gouvernement zelve, een ogenblik
veronderstellen de mogelijkheid, dat eene zoodanige sus-
tenue zoude worden gejustificeert?”

     Inmiddels had de Reformatie plaats gevonden. In 1600
kreeg de Gereformeerde gemeente van Oegstgeest haar eerste
predikant in de persoon van Florentius Marei ,gekomen van
Aarlanderveen, en in 1607 overleden.

     Oegstgeest had intussen ook zijn eigen heren gekre-
gen, wat blijkt uit de volgende brief uit jaar 1242.
     “Ik Willem, Graaf van Holland, maakte bekendt aan
alle de geene die deze brief zullen zien, dat Ik aan mynen
zeer lieven Heere Dirk van Oistgeest gegeven hebbe,
het landt, ’t welke tusschen Monster en de Stinckender-
wale gelegen is, en ’t welke hy van my te leen plagte te
houden, om het selve als syn vry eygen goed eeuwiglyk te
besitten. En ten eynde een iegelyk, soo wel togenwoordige
als toekomende, daar van kennisse mogen hebben, soo heb-
ben wy ons Zeegel aan dezen brief gehangen.
     Gegeven te Leyden, in den Jaare des Heeren 1242,
des Donderdaags na St. Lambertus-dag”.
     Nadien zijn er verschillende Heren van Oegstgeest
geweest. In later tijd kwam de Heerlijkheid aan de Heren
van Wassenaar, die deze bezaten tot 1616.

– 8. –
 
 
     Op 23 Juni 1615 kocht de Stad Leiden van L’Amoral,
Prins van Ligne, Graaf van Falquenberge, Baron van Wasse-
naar de Heerlijkheid Oegstgeest, terwiji de overdracht
plaats vond op 7 Juni 1616.
Deze heerlijkheid was voor Leiden zeer gunstig gelegen,
doordat zij zich tot aan de wallen uitstrekte. De koopsom
bedroeg f. 42.000,-.

     In de geschiedenis van het Groene Kerkje is nadien
deze eigendoms overgang duidelijk zichtbaar.
     Het herstel van de kerk was slechts voorlopig geweest.
In 1606 werd met het verdere herstel begonnen, doch eerst
in 1663 ging men tot het definitieve herstel over, en werd
de mooie kruiskerk weer in vroegere luister hersteld.
Bij het herste werd van het bewaard gebleven muurwerk ge-
bruik gemaakt.
     Op het torentje, dat zich op het kruispunt van de
kerk bevindt, staat cen windwijzer, voorstellende een
leeuw, die de Leidse sleutels omklauwt. Vervelgens valt te
wijzen op de Herenbank voor het gemeentebestuur van Leiden.
In het lofwerk van deze bank komt het jaartal 1689 voor,
terwijl op de kap het Loidso wapen te midden van con vior-
tal wapons van Loidse Burgemeesters prijkt.
     Vervolgens moge gewezen worden op het wapenraam in
de zuidelijke muur, dat de wapens van de Leidse regenten
weergeeft en, dat in 1948 grondig werd gerestaureerd.
     Dat de wapens van deze Leidse Burgemeesters in de kerk
te zien zijn, heeft niet te verwonderen, want een der
vier burgemeesters was steeds uit hoofde van zijn ambt
Heer van Oegstgeest.
     De kosten van de herbouw hebben f. 11.602,- 12 st.
12 p. bedragon.
     Een exemplaar van deze rekening bevindt zich in het
archief van Oegstgeest en is ook gedeeltelijk in het eerder
genoemde artikel van de Heer Bijleveld overgenomen.
     Wij ontlenen aan deze rekening dat voor het herstel de
volgende giften worden ontvangen:
Van de Ed Groot Moge Heeren van de Staten van Holland
en West-Vriesland                f. 1000,—
Van de Stad Leiden gedaan door de Heeren Burgemeesters
als Heeren van Oegstgeest           f. 1000,—
     dezelfden een glas in den gevel van het choor;
     van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rijnland:
een glas in den gevel van het kruis.
van den Hoog Ed Heere van Mathonesse, Rivire
Houteveen etc.          : een glas in de tweede
gevel van het kruis.
van den Edelen Hecren van Houdringe, Lauwendrecht
enz. (d.i. Jean Mamuchet heer van Houdringe aan de
Bilt, die de Grunerie bewoonde zijm vrouw : de preek-
stoel, waarop, hun wapens ;

– 9. –
 
 

Het Groene Kerkje, omstreeks 1850
naar een schilderij van J.Fabius
– 10. –
 
 
     De kapel van Schier de Vermandois was in het begin der
18e eeuw nog in goede staat. Er hingen wapenborden aan de muren
en de ruimte was van de kerk gescheiden door een zwaar, ge-
smeed ijzeren hek, met brons on verguldsel versierd en als op-
schrift dragend: Monumentum Sohierorum de Veromandia”.
     Nazaten lieten de kapel echter vervallen, zodat de
schout en kerkmeesters moesten ingrijpen. In 1761 deed J.A.
du Tour van Warmenhuysen van alle aanspraken afstand ten behoeve
van de kerkmeesters.
De kapel is later verwijderd (tegelijk met de toren?),
doch de grafkelder is gebleven en deze is eind 19eeeuw verkocht
aan de toenmalige burgemeester de Kempenaer, die or in 1900
zijn laatste rustplaats vond.

     Aan het eind van de 18e eeuw vinden we de kerk als volgt
beschreven; 3):

     “De Kerk is van een langwerpige vierkante gedaante, niet
zeer hoog dog van een geschikte binnenruimte, nevens al het
tot den gewoone Godsdienst oeffening benoodigden, zeer wel voor-
zien. De Tooren die in het midden der Voorgevel voor de Kerk
aangeboud is, en als een Voorportaal tot den ingang diend :
gaat van onderen vierkant op tot boven het kerkdak, alwaar de-
zelve met een platte vierkanten stomp eindigt, zynde, van een
goed Uurwerk en Klok voorzien”.

     Lang zou de toren echter niet meer als een sieraad daar
staan. In 1830 was deze geheel en al verwijderd.
     Sindsdien vormt de plattegrond van de kerk een kruis, waar-
van het rechtgesloten koor en het eenbeukige schip elk drie
vakken tellen en elk van de dwarsarmen twee vakken, alles gere-
kend uit de kruising.
     In de hoek tussen Zuiderdwarspand en koor bevindt zich de
consistoriekamer. De muren zijn opgetrokken van baksteen van
verschillende soorten. Aan de hoeken van het koor komen ook
blokjes tufsteen voor 4).
     De vensters hebben alle halfronde bogen en zijn voorzien
van harnassen en machinaal gevormde baksteen. Tusson de venstens
en op de hoeken van het dwarsschip bevinden zich steunberen.
Opmerking verdient, dat het koor aan de Noord en Zuidgevel wel
steunberen heeft, maar niet tegen de Oostelijke sluitgevel. Het
meest oostelijke paar steunberen staat niet geheel in de vlucht
van de sluitgevel van het koor.
     De ruimten worden overdekt door houten tongewelven, waar-
van de ribben ontspringen op korte muurstijlen, die in baluster-
vorm zijn bewerkt. De gewelfknoop van de kruising prijkt met een
gesneden rozet, de knopen van het schip dragen de cijfers van
het jaartal 1600. In de meest Oostolijk travéé van de Zuidwand
van het koor bevindt zich een piscina in de vorm van een een-
voudige spitsboognis.
3). in: “De Nederlandsche Stad en Dorpsbeschrijver 1790”,
4.) zie voor dit en het volgende:
    “De Monumenten van geschisdenis sn kunst in Leiden en Wes-
    telijk Rijnland 1944″.

– 11. –
 
 
     Inzake de bouwperioden valt op te merken, dat gedeelten
van het muurwerk nog dateren van voor de brand in de Spaanse
tijd, en wel voornamelijk de stukken van het koor waarin de
tufstenen hoekblokjes voorkomen. Veel ouder dan het eind van de
15e eeuw zal dit metselwerk evenwel niet zijn. Het grootste
deel van de muren dagtekent uit de 17e eeuw.

     Zoals reeds vermeld, dateert het kerkje in zijn huidige
staat grotendeels uit het jaar 1830. Een steen boven de
ingang van de westzijde vermeldt ook het jaartal: 1830.
Dit wil echter niet zeggen, dat er sindsdien niets meer aan ver-
anderd zou zijn.
     In 1850 werd ter wille van de acoustiek en om de kerkruim-
te beter te kunnen verwarmen het koor door het plaatsen van een
houten wand op het reeds aanwezige hek, van de eigenlijke kerk-
ruimte afgescheiden. Bij die gelegenheid werd de preekstoel
naar de scheidingswand verplaatst.
     Deze preekstoel, een schenking zoals we zagen van de be-
woners van de Grunerie, Jean Mamuchet en zijn vrouw Margarethe
Pellicorne, dateert uit 1662 en is van eikenhout.
     In de voorzijde bevinden zich hun wapens, terwijl de
stoel met zeer kunstig houtsnijwerk is versierd. In het begin
van deze eeuw is het blanke eikenhout weer in ere hersteld door
de verwijdering van het minder mooie “rood- of schildpadsoep-
achtige sausje” waarmede deze overtogen is geweest. Aan de
preekstoel bevinden zich koperen houders voor het doopbekken
en voor een “zandloper”.
     Voor de preekstoel bevindt zich een geel koperen lessenaar,
samengesteld uit smaakvol gemodelleerd bladwerk, vermoedelijk
17e eeuws werk.
     Jhr. Gevers van Endegeest, de vroegere bewoner van het
kasteel Endegeest, heeft veel voor verfraaiing van de kerk
gedaan.
     Van hem zijn afkomstig de drie koperen kronen, daterend
uit 1662, en aan de kerk geschonken in 1852. Sedert 1930 is in
de kerk een electrische verlichting.
     Bovendien nam hij in 1857 de kosten voor het plaatsen vàn
een orgel grotendeels voor zijn rekening, benevens 5 jaar
salaris van de organist. De voorwaarde was, dat de gemeente
voor een bijdrage van f. 700,- zorg droeg. Dit orgel bevindt
zich recht tegonover de preekstoel.
     Tenslotte herinnert het raam in de noordelijke gevel,
het kasteel Endegeest afbeeldende, en geplaatst in 1875, aan
deze milde schenker.
     In het torentje bevindt zich een klok van 49 cm. middellijn
met opschrift: Me fecit Amstelredamia, Ao 1734. Na in de oorlog
door de bezetters te zijn weggevoerd, is deze na de bevrijding
gelukkig weer teruggekeerd.
     Een volledige lijst van wat zich aan gedenkwaardigheden
in de kerk bevindt, is hierachter, enigszins aangevuld, opge-
nomen.

     Door het verzakken van de met zerken bedekte vloer, waren
omstreeks 1915 de muren van het kerkje ernstig gescheurd, en
waren de banken verzakt. Herstel werd dringend noodzakelijk, en
in 1916 konden met steun van het Rijk de nodige werkzaamheden
worden uitgevoerd.

     Onder leiding van de heer J. van der Voet te Oegstgeest werd
het werk gedaan, waarbij ook het interieur werd opgeknapt, en
daardoor beter aan de mooie omgeving aangepast.

– 12. –
 
 
     Begonnen werd met het uitbreken van de banken, die nog
deuren met zware scharnieren hadden. Deze banken waren zo ge-
maakt, dat men ze kon verrollen; onder de banken bevonden zich
grote houten rollen.
     Dit was gedaan om in de kerk te kunnen begraven. In de
vloer lagen hier en daar geheel verzakte grafzerken, Onder de
rechtse pilaar van het orgel werd een grafkelder gevonden. Uit
de kruizen op de zijwanden van de kist kon afgeleid worden,
dat hier een R.Kath. begraven was.
     De in de kerk gevonden grafzerken zijn in de muren van het
koor ingemetseld. Voorzover dit niet reeds eerder was gebeurd,
zijn nu ook de banken van hun verfkleur ontdaan.
     Het grote schot, dat kerk en koor afscheidde, dat gelijk
stond met de muur van het kruis werd 75 cm. teruggezet. Het
bovenste gedeelte, dat uit schotwerk van gewone planken, die
gewit waren, bestond, met in het midden een groot rond raam,
werd tevens geheel vernieuwd en in overeenstemming gebracht met
het uit 1662 daterende koorhek van geverfd wit hout, versierd
met een Jonische pilasterstelling.
     De vloer werd vlak gemaakt en daarop werd een betonnen
vloer gebracht, waarop de nieuwe banken werden geplaatst. De
paden werden met zerkstenen belegd.
     Om de preekstoel bevond zich een zwaar houten hekwerk, waar-
binnen de plaatsen waren voor ouderlingen en diakenen. Dit werd
verwijderd, terwijl de kerkeraadsplaatsen opzij van de preek-
stoel kwamen.

     Ор 3 Juni 1917 kon het gerestaureerde kerkje weer in ge-
bruik genomen worden, dat aan 350 personen plaats biedt.
     Een wens is, dat het koorhek nog eens verwijderd zal worden
en dat na verplaatsing van de preekstoel het koor bij de kerk-
ruimte wordt gevoegd, waardoor de kerk aan de nieuwere inzichten,
die op liturgisch gebied heersen, dienstbaar gemaakt kan worden.
     Voorlopig moet dit om financiële reden echter nog tot de
vrome wensen blijven, evenals de plaatsing van een gebrandschil-
derd raam boven de ingang van het koor aan de oostzijde. Dit
raam zal een Willibrordusraam worden, ter herinnering aan de
eerste Zendingsapostel, maar tevens herinnerend aan de belang-
rijke plaats die Oegstgeest door de vestiging van het Zendings-
bureau en de Zendingshogeschool inneemt in het zendingswerk van
de Hervormde Kerk.
     Het ontwerp van dit raam, gemaakt door de Delftse glaze-
nier Dirk Boode, is gereed. Uitvoering zal echter voorlopig
nog achterwege moeten blijven.
     Zo zijn wij aan het eind gekomen van onze beschouwing over
het Groene Kerkje. Wij zouden niet volledig zijn, wanneer we
niet afzonderlijk melding maakten van de rond de Kerk gelegen
begraafplaats, want ook hierdoor is bij velen het Groene Kerkje
bekend.
     Deze begraafplaats is sedert onheugelijke tijden in het
bezit van de Hervormde Kerk, en laatstelijk in 1948 aanmerkelijk
uitgebreid.
     Vóór de stichting van een eigen Rooms-Katholieke begraaf-
plaats in 1821 werd hier zonder onderscheid van kerkelijke
gezindte begraven. Zelfs uit Leiden werden in verband met de
wijding van de grond door de H. Willibrord Rooms-Katholieken
indertijd bij het Groene Kerkje ter aarde besteld.

– 13. –
 
 
     Wie hier ronddwaalt, zal de namen tegenkomen van verschei-
denen, die in de wetenschappelijke wereld grote bekendheid hebben
gehad, en die hier hun laatste rustplaats mochten vinden.
     Voorts bevinden zich op de begraafplaats de graven van
48 Nederlandse militairen, gesneuveld in de Meidagen van 1940,
en van 17 geallieerde militairen, die in deze omgeving tijdens
de oorlogsjaren hun leven mede voor onze bevrijding gaven.

     De Hervormde Gemeente van Oegstgeest moge het als een
blijvend voorrecht beschouwen in een kerkgebouw met een zo
rijke historie bijeen te kunnen komen, op een plaats waar sedert
Willibrord hier rondtrok tot op de huidige tijd het Evangelie
verkondigd mocht worden.
     Ook aan het geslacht van nu legt dit grote verplichtingen
op.


Interieur Groene Kerk
Foto: Rijksmonumentenzorg
– 14. –
 
 
HOOFDSTUK II.

DE AFBRAAK VAN DE TOREN VAN HET GROENE KERKJE.
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
 
     Zoals reeds eerder vermeld, werd de kerktoren in 1825
gedeeltelijk afgebroken. Het zou echter 1830 worden voordat
uiteindelijk tot de algehele afbraak werd overgegaan.
     In die tussentijd is de afbraak van de toren herhaal-
delijk bij de Gemeenteraad en bij de Kerkvoogden ter sprake
gekomen.
     De raadsnotulen uit die tijd geven daarover een helder
licht, terwijl daaruit ook blijkt, dat serieuze pogingen in
het werk zijn gesteld om de toren alsnog te herstellen, doch
toen uiteindelijk bleek, dat van Regeringswege geen subsidie
te verwachten was, moest, nu gemeente en kerk de nodige gel-
den niet beschikbaar konden stellen, wel tot de definitieve
afbraak worden besloten.

     Reeds in de raadsvergadering van 17 December 1823 was
een aanvrage van Kerkvoogden der Hervormde Gemeente gericht
tot Gedeputeerde Staten om toekenning van een subsidie van
f. 3000,- in de kosten van herstel der kerk ter sprake ge-
komen. De totale kosten van herstel waren geraamd op
f. 3.341,–, zodat een bedrag van f. 341,– door de kerke-
lijke gemeente zou worden bijgedragen.
     De Raad was gevraagd hierover advies uit te brengen.
In dit advies wordt opgemaakt, dat de meningen verdeeld zijn
over de oorzaak van de schade. Er is namelijk een steeds meer
toenemende verzakking van de Noorder zijmuur van het kerkge-
bouw. Sommigen waren van oordeel, dat deze veroorzaakt werd
door een omkanting en verzakking der fundamenten, doch ande-
ren meenden, dat de oorzaak lag in het overhellen van de to-
ren. Overigens werd een gunstig advies uitgebracht.
     Reeds toen vertoonde de toren klaarblijkelijk reeds ge-
breken, want het overhellen was niet meer normaal.
     Aan het verzoek word slechts gedeeltelijk voldaan, door-
dat geen f. 3000,– maar f. 1600,– werd beschikbaar gesteld.
In zijn verslag over 1824 merkte het gemeentebestuur dan ook
op, dat herstel door het ontoereikende van het subsidie echter
zeer zou worden bemoeilijkt.
     Op 1 Juni 1825 bracht de Schout de toestand van de
“Dorpstoren” in de Raad ter sprake. Voornamelijk door het af-
breken van de Noorder-zijmuur van de kerk deden zich zeer
aanmerkelijke verzakkingen, ontzettingen en scheuren in het
muurwerk van de toren voor. De hier en daar gevonden medede-
ling, dat de toren in December 1824 zou zijn ingestort, wordt
hierdoor derhalve niet bevestigd.
     Op 28 Mei hadden twee deskundigen, n.l. Jan Franchimon,
Mr. Metselaar te Leiden, en Johannis Schoneveld, Mr. Timmerman
te Valkenburg, in tegenwoordigheid van de Schout de toren
geïnspecteerd.
     De assessor van de Wetering, die tevens President-Kerk-
voogd is, was bij de verdere besprekingen over de toren echter
niet aanwezig, zodat de Raad geheel vrij “in deszelfs delibe-
ratien” zou zijn.
     Uit het rapport blijkt, dat de toestand van de toren zeer
slecht was, en dat overhelling door ingravingen was veroorzaakt.

– 15. –
 
 
     De deskundigen adviseerden dan ook om de toren af te bre-
ken en ter plaatse een nieuwe eindgevel aan de kerk te bouwen.
     De toren behoorde voor de Franse revolutie aan de kerke-
lijke gemeente. Wie nu de eigendom had, bleek niet zeker te
zijn.
     In een Publicatie van het voormalig Provinciaal Bestuur
van Zuid-Holland van 6 October 1797 was bepaald dat de Kerk-
torens als strekkende ten algemene nutte door de burgerlijke
gemeenten moesten worden onderhouden. In deze publicatie werd
nu verder niets over de eigendom gezegd. De vraag werd dan ook
gesteld, of nu het hier niet om normaal onderhoud ging, maar
om een algeheel herstel de gemeente ook deze kosten moest dra-
gen.

     Ten einde tot een oplossing te komen werd besloten te-
zamen met Kerkvoogden een bespreking te hebben, welke werd
vastgesteld op 3 Juni 1825.
     Kerkvoogden gaven in die bijeenkomst te kennen, dat zij
van oordeel waren, dat de toren nog eigendom van de Hervormde
gemeente was, waarmede de Raad zich kon verenigen.
     Het resultaat van de bespreking werd in een zestal punten
vastgelegd, n.l.

1.  Dat de Tooren der Hervormde Kerk in eigendom behoort aan de
    Hervormde Gemeente dezer Plaats.

2.  Dat het regt van eigendom op dezelve niet is weggenomen door
    de Publicatie van het Provinciaal Bestuur van Holland van
    den 6 October 1797.

3.  Dat diens volgens de tegenwoordige noodzakelijke herstellin-
    gen aan den Tooren moeten gedaan worden voor Rekening van de
    Hervormde Kerkgemeente.

4.  Dat door het onderhoud van den Tooren moet worden verstaan
    het gewoon dagelijks onderhoud en geenszins buitengewoone
    herstellingen of vernieuwingen, welke komen ten laste van
    den eigenaar.

5.  Dat uit het regt van eigendom vanzelve voortvloeid de vrije
    beschikking over het gebouw en het genot van de voordeelen,
    die uit de afbraak als anderzints zouden kunnen voortvloeijen

6.  Dat na het herstellen of vernieuwen van den Tooren het ge-
    woon onderhoud daarvan regtens weder moet komen ten laste
    van den Burgerlijken Gemeente, tegen het genot van het ge-
    bruik van de Klokkentooren, ten algemenen nutte.

     Kerkvoogden namen op zich om al het nodige te doen voor het
afbreken en vernieuwen van de toren. Vlot ging dit alles echter
niet want tot 1830 is er haast geen raadsvergadering geweest
waarin de toestand van de toren niet ter sprake is gekomen.
     Kerkvoogden hadden zich namelijk onmiddellijk tot de Gou-
verneur van Zuid-Holland gewend met verzoek om de toren te mogen
afbreken en op de minst kostbare wijze een nieuwe toren te mogen
bouwen, terwijl ten slotte een subsidie vanwege het Rijk of de
Provincie werd gevraagd.
     De Schout had aanleiding gevonden de Metselaar Franchimon
de toestand ter plaatse weer te doen onderzoeken. Deze adviseer-
de om ter voorkoming van dreigend gevaar het bovenste gedeelte
van de toren te doen afbreken.

– 16. –
 
 
     De zaak werd blijkbaar zo ernstig bevonden, want
“nog staande de vergadering” werd aan Kerkvoogden een aanschrij-
ving gezonden om de toren tot op de hoogte van het dak van de
kerk te doen afbreken.
     In hun antwoord aan de Gouverneur der Provincie naar aan-
leiding van de om advies gezonden brief van Kerkvoogden geven
Schout en Gemeenteraad een uitvoerige uiteenzetting van de
stand van zaken.
     Ook op de kwestie van de eigendom van de toren werd
uitvoerig ingegaan, waarbij een historische uiteenzetting werd
gegeven, die de moeite waard is om woordelijk over te nemen.
     “Het blijkt toch ontegenzeggelijk uit de oude kerkrekenin-
gen dat de tooren, even zoo wel als de kerk (nadat dezelve ge-
durende de belegering der Stad Leyden door het Spaansche
Leger onder Francisco de Valdez, ten Jare 1573 & 1574 voor het
grootste gedeelte waren afgebrand en in Puinhopen veranderd)
ten koste van het Hervormde Kerkgenootschap is opgebouwd en
hersteld, waaraan gedurende de jaren 1588 tot 1600, met voor
dien tijd zeer aanmerkelijke onkosten is gearbeid.
     Degene nu voor wiens rekening iets gemaakt word is daarvan
immers eigenaar, en blijft zulks regtens, zoolang dat eigendom
op geene wettige wijze aan den ander wordt overgedragen”.
     In de brief wordt nog te kennen gegeven, dat Kerkvoogden
er op prijs stelden, dat de toren vanwege de Gouverneur zou wor-
den geinspecteerd.
     Hieraan werd op 11 Juni 1825 reeds gevolg gegeven,
want op die datum kwam vanwege de Gouverneur de Hoofdingenieur
van de Waterstaat ter plaatse een onderzoek instellen, die blijk-
baar zulke alarmerende berichten naar den Haag overbracht, dat
op 13 Juni reeds de Gouverneur persoonlijk zich van de toestand
op de hoogte kwam stellen. Schout en Kerkvoogden waren hierbij
tegenwoordig, en de Gouverneur heeft mondeling toen gelast,
“dat de Tooren zou worden afgebroken tot aan de nok van het
Lei-dek der Kerk voor rekening van het Gemeentebestuur en onder
opzicht van hetzelve door den Metselaar J. Dobbe van Bergen
wonende alhier, met dien Kerkvoogden te vooren geaccordeerd
hadden, welke dat werk heeft aangenomen voor f. 175,- af te
maken in veertien werkdagen, nemende hij voor zijne Rekening
al de schaden, die door het afbreken aan de Kerk mogten komen”.
     De Gouverneur had dus blijkbaar de knoop maar doorgehakt,
nu Kerkvoogden niet in staat, en de gemeente niet bereid was om
de kosten van afbraak te betalen.
     Het is te begrijpen, dat de “politique gemeente” zoals
zij hier genoemd wordt, niet erg enthousiast was over de geval-
len beslissing, daar zij- en terecht vreesde, dat noch van
de zijde van de Gouverneur, noch van Kerkvoogden, enige maatre-
gel te wachten was tot voortzetting en finale afdoening van
deze zaak. Noodgedwongen ging de afbraak inmiddels echter door.
     22 Juni 1825 werd besloten aan de Gouverneur een uitvoerige
brief te schrijven, waarin nogmaals uiteengezet werd, dat de kos-
ten van afbraak en herstel van de toren ten laste van de kerke-
lijke gemeente dienden te komen.
     In zijn antwoord gaf de Gouverneur te kennen, dat naar zijn
gevoelen uit het 6e additionele artikel van de Staatsregeling
van het jaar 1798 duidelijk bleek, dat het eigendom van de toren
uitdrukkelijk aan de gemeente wordt overgedragen, Bovendien
was hij bevreesd, dat voor de opbouw door Rijk of Provincie
wel geen subsidie zou worden verleend, zodat in overweging werd
gegeven de toren geheel af te breken,
– 17. –
 
 
     Met de opvatting van de Gouverneur kon de Raad zich echter
niet verenigen, daar zijns inziens door de afschaffing van deze
Staatsregeling ook dit additionele artikel was komen te verval-
len.
     Besloten werd zich met een request tot Z.M. de Koning te
wenden en hem te verzoeken te willen beslissen aan wie de
kerktoren in eigendom toebehoorde.
     In de Raadsvergadering van 4 Juli 1825 werd dit adres
vastgesteld, en tevens besloten het stuk met een begeleidend
schrijven door bemiddeling van de Gouverneur aan de Koning te
zenden.
     Daar het waarschijnlijk werd geacht, dat wel enige tijd
zou verlopen alvorens antwoord werd ontvangen, werden de verde-
re te nemen maatregelen ter voorkoming van gevaar door verder
verzakken besproken. Daar geen zekerheid over de toestand te
verkrijgen was, werd er toe overgegaan nogmaals een rapport
te laten opmaken. Dit rapport was vrij gunstig maar wel werd
in overweging gegeven twee of drie schoren te plaatsen, zodat
geen gevaar voor verdere verzakking zou blijven. Zonder meer
wilde de Raad hiertoe geen opdracht geven, zodat besloten werd
het Kerkvoogden overleg te plegen. Men was beangst voor de con-
sequenties, indien de gemeente zelfstandig tot dit werk besloot.
     De bespreking met Kerkvoogden had tot resultaat dat deze
ook nog eens een onderzoek zouden instellen, daar gevreesd werd
dat de fundamenten door het plaatsen van de schoren gevaar
zouden lopen.
     Tevens had de Kerkvoogdij verzocht om het puin van de af-
braak afkomstig, te verwijderen, doch de Raad was van oordeel,
dat totdat over de zaak verder was gedecideerd, deze op het
kerkhof moest blijven.
     Hoe dit kwam blijkt niet, maar een feit is, dat op 13
Augustus, 7 dagen na de Raadsvergadering waarin besloten werd
het puin te laten liggen, de Gouverneur der Provincie de gemeen-
te aanschreef om “zonder eenig verwijl” tot de verkoop en
het opruimen van het puin over te gaan.
     Hoewel men van oordeel was, dat er niet de minste reden
was, waarom het puin niet op het kerkhof kon blijven, was men
anderzijds van mening, dat er ook geen voldoende redenen waren
om niet aan het verlangen van de Gouverneur te voldoen.
     Besloten werd het puin op de meest voordelige wijze onders-
hands te verkopen, daar de hoeveelheid te gering voor een pu-
blieke verkoop werd geoordeeld.
     In de vergadering van 24 Augustus werd goed gevonden, dat
het puin voor f. 20,- aan een zekere Jacob van Leeuwen uit
Leiden, verkocht werd.
     Tevens werd accoord gegaan met een nader rapport van de
Metselaar Dobbe van Bergen, dat het beter was voorlopig niet
in de grond te roeren, zolang er geen begin met de opbouw of de
afbraak van de toren werd gemaakt.

     Op 15 Februari 1826 kon de Burgemeester – de Schout was
inmiddels Burgemeester geworden mededelen, dat de Secretarie
van het kabinet des Konings had bericht, dat de Koning geen
termen had gevonden om in deze een algemene maatregel te nemen.
Zeer laconiek word opgemerkt, dat hierdoor dus ook niet ver-
klaard was, dat de kerktoren aan de politique gemeente zou toe-
behoren.

– 18. –
 
 
     De Raad bleef dan ook het eenmaal ingenomen standpunt
handhaven, dat het herstel van de toren ten laste van de Her-
vormde Gemeente zou moeten komen, maar was daarnaast nu toch
wel bereid om in dit bijzondere geval en zonder consequentie
voor het vervolg hierbij tegemoet te komen.
     17 Februari kwam de Raad opnieuw bijeen – er werd dus wel
druk vergaderd in die tijd en in die vergadering las de Ge-
meentesecretaris het concept van de brief die over het herstel
van de kerktoren aan de Gouverneur sou worden gericht, voor.
     Allereerst werd daarin mededeling gedaan dat de Koning
inzake de eigendom van de toren geen beslissing had genomen,
terwijl vervolgens het hiervoren reeds vermelde standpunt van
de Raad aan de Gouverneur werd kenbaar gemaakt.
     Ook aan de Kerkvoogden werd een brief in gelijke zin ge-
richt. De Raad kon zich met een en ander verenigen.
     In de raadsvergadering van 24 Maart kon reeds mededeling
worden gedaan van een brief van de Gouverneur waarin deze be-
richtte, dat de gemeente inzake het herstel een voorstel aan
Gedeputeerde Staten kon doen na met de Kerkvoogden tot overeen-
stemming te zijn gekomen.
     De Kerkvoogden hadden echter niets van zich laten horen,
en daarover was wel enige ontstemming. Het seizoen en de gesteld-
heid van gebouw vorderden dringend, zoals verklaard werd,
dat met de zaak der reparatie voortgang gemaakt werd. Besloten
werd Kerkvoogden aan te schrijven, dat zij binnen drie dagen ant-
woord moesten zenden.
     31 Maart kwam de brief van Kerkvoogden, waarin deze schre-
ven, dat zij met verwondering van de brief van het gemeentebe-
stuur hadden kennis genomen. Zij toch waren van oordeel, dat
uit het antwoord, dat de Koning gegeven had, in genen dele was
af te leiden, dat de toren nu het eigendom van de Hervormde
Gemeente gebleven zou zijn.
     Integendeel, Kerkvoogden gaven te kennen, dat zij zich die
eigendom niet konden of vermochten aan te trekken.
     Van de vroeger gesloten overeenkomst was dus niet veel
meer over gebleven. Kerkvoogden gaven tenslotte in overweging
om, “daar de staat der tooren thans zodanig is, dat in deszelfs
opbouw hoe eer hoe beter zal behooren te worden voorzien” om
ten koste van de burgerlijke gemeente onder goedkeuring van
Gedeputeerde Staten de nodige werkzaamheden te verrichten.
     Deze missive kon de Raad echter niet van gevoelen doen
veranderen, wat dan ook aan de Kerkvoogdij werd medegedeeld.
     27 April 1826 kwamen Kerkvoogden in zoverre op hun vroeger
standpunt terug, dat zij nu bereid waren met het gemeentebestuur
inzake het herstel een bespreking te houden, doch nu was de
gemeente niet bereid hierop in te gaan, aangezien deze eerst
van de zijde van Kerkvoogden de erkenning wenste te horen, omdat
de eigendom der toren niet bij de gemeente was.
     Het antwoord van Kerkvoogden was duidelijk. De brief ge-
dateerd 12 Mei 1826 begint :
Het is niet de toorn onzer Kerk, maar het is de toorn der
burgerlijke gemeente van Oegstgeest, waarover ten deze gehan-
delt wordt.”
Partijen gaven dus niet toe, en de Raad was van mening, dat een
conferentie met Kerkvoogden vruchteloos en zonder doel zou zijn,
nu men het over de hoofdzaak niet eens was.
– 19. –
 
 
     In haar antwoord noemde de gemeente het aangehaalde
een “onbewezen magtspreuk”. Zoals te begrijpen, was de brief
een beetje geprikkeld, en de Kerkvoogden werd verweten, dat
de gemeente nu het denkbeeld zou kunnen krijgen, dat het hun
geen ernst was, maar dat zij het voornemen hadden om de zaak
slepende te houden of om zich daaraan geheel te onttrekken.
Maar werd er bij geschreven “indien wij UEd, niet voor Mannen
van te veel oordeel en doorzicht hielden”.
     Alsnog werden Kerkvoogden in de gelegenheid gesteld om
zich binnen vier dagen te verklaren of zij wilden samenwerken,
waartoe dan een plan, tekening en begroting der kosten van
het werk zouden kunnen worden ingezonden.
     Kerkvoogden wensten hun standpunt, dat de toren van de
Burgerlijke Gemeente was echter niet prijs te geven, en deel-
den dit op 23 Mei aan de gemeente mede, onder toevoeging, dat
verdere briefwisseling nutteloos was.
     De Gouverneur werd hiervan mede in kennis gesteld.
     Het deed de Raad leed, dat het niet mogelijk was gebleken
met Kerkvoogden tot overeenstemming te komen doch aan het
slot van de brief schreef hij “zoo vinden wij hiervoor vergoe-
ding in de bewustheid van alles gedaan te hebben wat wij ver-
meenen behoudens de zorg voor de belangen onzer Gemeente kan
gedaan worden”.
     Voor de Gouverneur is deze brief blijkbaar aanleiding
geweest om bemiddelend op te treden, want op 10 Juli ontving de
gemeente een brief, waarin hij kon mededelen, dat Kerkvoogden
bereid waren alsnog overleg te plegen.
     Nu bleef de Raad echter koppig. De Gouverneur werd dan
ook bericht, dat nu Kerkvoogden niet geneigd bleken om toe te
geven, dat de toren van de Kerkelijke gemeente was, de Raad
geen aanleiding kon vinden om zonder meer toe te geven.
     Geschreven werd “UHoogEdelgestrenge gelieve de door ons
gemaakte difficulteiten niet toe te schrijven aan enige zucht
tot tegenstreven van de boven ons gestelde magten”. De Kerk-
voogden moesten nu eerst een verzoek tot de gemeente richten
om een subsidie te willen verlenen in de kosten van herstel,
daarmede erkennende, dat de eigendom der toren niet bij de
gemeente berustte.
     De Gouverneur liet de zaak echter niet rusten.
     Bij besluit van 11 Augustus 1826 van de Staatsraad, Gouver-
neur van Zuid-Holland werd besloten:
1e.  Burgemeester en Assessoren der gemeente Oegstgeest bij deze,
     op hunne verantwoordelijkheid, aan te schrijven en te ge-
     lasten, om ter voorkoming zo van ongelukken, alg van meer-
     dere kosten, bij langer verzuim, dadelijk en met inacht-
     neming der vroeger gegevene en hier toepasselijke voor-
     schriften, de nodige middelen te beramen (echter des nodig
     oordeelende, met gezamenlijk overleg van Kerkvoogden, het-
     zij dan tot herstelling, of wel tot verderen afbraak van
     den toren, bijaldien namelijk de kosten tot herstel te
     hoog mogten worden bevonden);
2e.  Kerkvoogden voornoemd aan te schrijven om gelijktijdig
     voort te gaan met het doen van de aan het kerkgebouw ver-
     eischt wordende Reparatien, ter bevordering waarvan hij
     Staatsraad, Gouverneur vertrouwt, dat Kerkvoogden zoowel
     als het gemeentebestuur onverwijld in minnelijke schikking
     zullen treden”.
– 20. –
 
 
     Ten aanzien van de eigendom der toren werd in het besluit
overwogen, dat hoezeer Z.M. de Koning niet goed gevonden heeft
zich ten aanzien van een enkel bestuur stellig te uiten, ten
aanzien van de eigendom der kerktorens in het algemeen, hij
Staatsraad Gouverneur bij zijn gevoelen moet blijven volharden,
dat de kerktorens krachtens de Publicatie van October 1797,
en de bestaan hebbende Grondwet van 1798, het eigendom van de
burgerlijke gemeente verklaard en geworden zijn, terwijl ook,
in zoverre zulks reeds is kunnen blijken, de Zuid-Hollandse
steden en gemeenten zonder uitzondering zich dientengevolge
met het onderhoud van de torens belasten.
     Door deze beslissing moet de Gemeenteraad nu wel het hoofd
in de schoot leggen. De Gouverneur gelastte de gemeente boven-
dien om zo spoedig mogelijk op te geven, wanneer men beginnen
zou met het doen van de vereiste herstellingen aan de toren,
of met de afbraak ervan.
     Het is te begrijpen, dat men niet van harte toegaf,
en nadrukkelijk verklaarde de Raad dan ook, dat zij bij haar
eenmaal ingenomen standpunt ten opzichte van de eigendom van
de toren bleef, terwijl tenslotte tegen dit besluit geprotes-
teerd werd.
     Hierbij bleef het echter, daar verdere tegenkanting
nutteloos werd geoordeeld. Besloten werd inzake het al of niet
afbreken van de toron overleg te plegen met de Kerkvoogden en
deze voor een bespreking op 21 Augustus uit te nodigen.

     Na uitgebreide discussies kwam men overeen, dat de Gemeen-
teraad en het College van Kerkvoogden zich ten aanzien van de
Kerktoren in eon gecombineerde vergadering zouden verenigen,
ten einde gemeenschappelijk te werk te gaan.
     Het resultaat van de bespreking was, dat zou worden onder-
zocht:
1.  hoever de toren nu nog zou moeten worden afgebroken om
    vervolgens van steen te worden opgetrokken tot 6 voet
    boven de nok van het dak dor kerk, waarop dan een hou-
    ten spits zou worden geplaatst.
2.  hoedanig de staat is van de binnenmuur der kerk en of deze
    door het onderbrengen van een nieuw fundament op behoor-
    lijke diepte van 6 voet beneden de kerkvloer zou kunnen
    worden behouden.
     5 Pebruari 1827 is men zover, dat de Burgemeester een
door de timmerman van der Gaag opgemaakte begroting van de
kosten van herstel ter tafel kan brengen.
De totale kosten van herstel zijn geraamd op f. 5.375,-,
terwijl aan Kerkvoogden zal worden voorgesteld ieder de helft
van de kosten voor zijn rekening te nemen.
     Het resultaat van de bespreking was, dat men overeen
kwam zich tot de Koning te wenden met het verzoek om voor het
herstel van de toren uit ’s Rijks schatkist een subsidie van
f. 6000,- te verlenen “uit hoofde van de ontoereikendheid der
fondsen en middelen der ingezetenen”,
     De bereidheid om plaatselijk voor het herstel iets bij
te dragen was dus niet groot. Naar aanleiding van het request
verzocht de Gouverneur nog om te willen nagaan wat van het
oude materiaal gebruikt zou kunnen worden. Daar uit het bestek
hierover niets bleek, zou de Burgemeester zich hierover met de
timmerman van der Gaag verstaan, maar nogmaals werd te kennen
gegeven, dat zowel de Burgerlijke als de Kerkelijke gemeente
niet in staat waren om enige bijdrage te verlenen.

– 21. –
 
 
     Het request had echter geen resultaat, want op
10 Juli 1827 moest de Burgemeester mededelen, dat het verzoek
“wordt gewezen van de hand”.
     In den Haag was men nu blijkbaar ook overtuigd, dat van
een herstel van de toren verder wel niets zou komen, zodat
Gedeputeerde Staten op verzoek van de Administrateur voor het
Binnenlands Bestuur de gemeente aanschreven de toren nu onver-
wijld verder af te breken.
     Nu verzochten Kerkvoogden echter nog enig uitstel, want
deze wilden alsnog in overleg met notabelen der Hervormde
gemeente overleggen of het opbouwen van de toren toch nog
mogelijk zou zijn.
     De mentaliteit was na al het geharrewar dus wel veranderd!
     Inmiddels zond de Gouverneur een rappèl, daar nog geen
antwoord op zijn brief was ontvangen, met aanschrijving uiter-
lijk binnen 8 dagen aan de opdracht tot afbraak te voldoen.
     Inmiddels hadden Kerkvoogden een vrijwillige inschrijving
geopend ten einde de nodige gelden voor de opbouw der toren
bijeen te brengen, doch de tijd was te kort geweest om enig
aanzienlijk resultaat te verkrijgen.
     Daarnaast werd er op gewezen, dat bij afbraak van de
toren tegelijkertijd de westelijke muur van de kerk hersteld
zou moeten worden, en daarvoor was nog geen geld beschikbaar.
Besloten werd de aandacht van de Gouverneur op deze moeilijk-
heid te vestigen.
     De Gouverneur vond hierin aanleiding alsnog een uitstel
van 14 dagen te verlenen.
     De kosten van het herstel der kerkmuur dienden echter
door de Kerkelijke gemeente te worden betaald, daar, en hier
wordt voor het eerst melding gemaakt van de eigenlijke oorzaak
van het verzakken van de toren! – de scheuring en verzakking
van de kerkmuur en tengevolge daarvan die van de toren is
veroorzaakt door het zo onvoorzichtig als onberaden ondergra-
ven van die muur bij het begraven van lijken in de kerk.
     Kerkvoogden vroegen nu bemiddeling om bij Gedeputeerde
Staten een subsidie aan te vragen, daar de inschrijving onvol-
doende was gebleven.
     De Raad besloot nu om aan de Gouverneur te vragen of de
toren niet zou kunnen blijven staan, daar voor het herstel
van de kerkmuur geen gelden beschikbaar waren, en de kerk dan
gedeeltelijk open zou komen te liggen.
     Deze ging hier echter niet op in. De afbraak van de toren
moest nu doorgaan, en als Kerkvoogden geen gelden beschikbaar
hadden voor het herstel van de kerkmuur konden zij Gedeputeer-
de Staten om een subsidie vragen.
     Voor de Raad was dit aanleiding nu de zaak van de af-
braak door te zetten, waarom besloten word de timmerman van
der Gaag op te dragen plan en voorwaarden hiervoor op temaken.
     28 September 1827 waren deze stukken door de Raad beoor-
deeld, zodat van der Gaag opdracht gegeven kon worden de
stukken “in het net” te schrijven.
     Deze stukken worden vervolgens aan Gedeputeerde Staten
gezonden, doch daarbij werd opgemerkt, dat het beter zou zijn
om de Kerkelijke administratie met het gehele werk te belasten,
daar de kwestie van het herstel der kerkmuur hiermede ten
nauwste samenhing.
     Kerkvoogden bleken hiervoor te voelen, want uit de op-
brengst van de afbraak meenden zij versterking van de kerke-
lijke fondsen te mogen verwachten.
– 22. –
 
 
     Niets veranderlijker dan de mens. Waar zo om gevochten
was, dat de gemeente alle kosten verband houdende met de toren,
voor haar rekening zou nemen, bleek nu ineens niet meer wense-
lijk.
     Met zekere voldoening kon de Raad dan ook vaststellen,
dat hij altijd al beweerd had, geen regt op de toren te hebben,
zodat tegen het voorstel van Kerkvoogden niet al te veel be-
zwaren werden ingebracht. Al het materiaal en de klok zouden
vervallen aan de Kerkvoogdij, maar nu moest de Kerk ook aan
de gemeente de kosten, die deze reeds had gemaakt restituëren,
terwijl zij wat de gemeente vroeger had ontvangen zou uitge-
keerd krijgen.
     De Heer van de Wetering, assessor en tevens President-
Kerkvoogd, die bij deze bespreking niet aanwezig was geweest,
kon nadat hij weer in de vergadering was toegelaten, verklaren
dat Kerkvoogden de gestelde voorwaarden aannamen. De Voorzitter
van de Raad had hem eerst nog verzekerd, dat de Raad volstrekt
in geen andere voorwaarden zou kunnen toestemmen.
     Gedeputeerde Staten werd verzocht aan deze schikking goed-
keuring te verlenen, daar “zoals de Gemeenteraad zich durft
vleien door deze overeenkomst alle geschillen ten aanzien des
Torens uit den weg zijn genomen, en de zwarigheden en gevaren,
die uit een afzonderlijke afbraak van den Toren ontstaan zoude,
insgelijke ophouden”.
     Zo eenvoudig was alles echter nog niet in kannen en kruiken.
Bij dispositie van Gedeputeerde Staten van 15 Januari 1828
deelden deze mede, dat 2.M. de Koning bij besluit van 25 Decem-
ber 1827 (dus 1e Kerstdag!) no. 128, authorisatie had verleend
op het plaatselijk bestuur van Oegstgeest om het overgebleven
gedeelte van de kerktoren aan de Kerkvoogden der Hervormde
Gemeente af te staan.
De tussen de gemeente en de Kerkvoogdij te sluiten overeen-
komst behoefde klaarblijkelijk de goedkeuring van de Koning,
wat hierbij tevens geschiedde.
     Twee jaren gingen voorbij, dat het niet meer nodig was
de toren-kwestie in de Raad te bespreken.
     In de vergadering van 6 Januari 1830 kwam “ter fine van be-
rigt, consideratien en advijs” een missive van Kerkvoogden
aan het College van toezigt over de Kerkelijke Administratie
der Hervormden in Zuid-Holland, waarbij wordt ingezonden een
gewijzigd bestek betreffende de afbraak van de toren, het op-
metselen van de Westermuur, benevens het doen van nog andere
grote reparaties aan het kerkgebouw.
     Inmiddels hadden de Kerkvoogden voor de verschillende
werkzaamheden een subsidie uit ’s Rijks kas verkregen, alsmede
een toelage uit de kerkelijke kas, zodat de financiële bezwaren
waren vervallen.
     Nadat inmiddels Gedeputeerde Staten het bestek hadden goed-
gekeurd, werd op 18 Januari 1830 het werk publiek aanbesteed.
Voor de som van f. 900,- nam G. Fakkeldijk te Leiderdorp aan
voor de afbraak van de toren zorg te dragen.
     In de Raadsvergadering var 5 Mei kon de Voorzitter
mededelen, dat de toren geheel was afgebroken.
     Voordat het zover was waren derhalve bijna zeven jaren
verlopen. In die jaren waren de gemoederen meermalen verhit
geweest, en in de kleine dorpsgemeenschap van toen zal de af-
braak de gemoederen der burgers danig in beroering hebben
gehouden.
     Dat de pogingen die gedaan zijn, om de toren voor het na-
geslecht te behouden, gefaald hebben, blijft echter te betreuren.

Groene kerk met begraafplaats 1924
Luchtfoto K.L.M.
– 23. –
 
 
HOOFDSTUK III.
– – – – – – –
 
GEDENKWAARDIGHEDEN IN DE “GROENE KERK”.
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
 
Overgenomen uit:
 
GENEALOGISCHE EN HERALDISCHE
GEDENKWAARDIGHEDEN
in en uit de
KERKEN DER PROVINCIE
ZUID-HOLLAND
 
B E S C H R E V E N
door
Mr.P.C. Bloys van Treslong Prins
 
 
DEEL IIa.
 
(Aangevuld ten aanzien van het in 1948
gerestaureerde raam aan de Zuidzijde).
 
     Op het koor liggen de volgende zerken met opschrift:
1. Hier leyt begraven Trijntie Pieters Laest wedue van
Cornelis Cam ende is gerust den 1 November 1679.
2. Hier rust de eerste zoon, het eerste kind van Paul
Chevallier en Theodora Marchant den 7 October 1813.
3. Adriaan van Hall gebooren 1698 overleden 1783 en
Sophia Maria van Hall geboren den 29 Mey 1730 overleden
den 10 Mey 1793.
4. Wapen: gevierendeeld: I. en IV. drie eikels (2 en 1);
II en III. twee gekruiste stokken, tusschen de onderste
einden een wassenaar; helmteeken een eikel.
5. Hier ligt Anna Ekama eenige zuster van Profess. Ekama.
Zij stierf binnen Leyden op Woensdag den 28 Mey 1817.
6. J.H. Regenbogen Theologiam Franequerae dein Leydae
historiam docuit; ao. aet. XLVI cbit die XXII febr.
MDCCCXIV.
     In den muur:
7. A.M. de Leeuw geb. van Veldhuizen overl. 5 September
1824 oud 78 jaar.
8. Arent Palingh den 1 Maert 1691
   (Een aal in een ovaal).
   Achter den preekstoel:
9. Wapen: een hoogen hoed en daaronder drie klaverbladen.
(2 en 1). 1677.
– 24. –
 
 
     Op het koor ziet men nog enkele fragmenten van een ge-
schilderd venster, waarvan te zien:
     Johan van Leeuwen, het wapen Van der Marck (op zilver een
blauwe dwarsbalk, vergezeld van drie zwarte zwijnenkoppen,
2 en 1).
     Een wapen: doorsneden: boven gedeeld: I op blauw twee
gouden dwarsbalken van vijf roode X aan elkaar; II. op goud
vier roode keepers; beneden op blauw een gouden dwarsbalk,
beladen met vijf roode X aan elkaar, en daar boven het boven-
lijf van een mensch met rooden mantel en roode loshangende
haren; helmteeken het schild van II. Voorts een linkerschild-
houder n.l. een gouden leeuw met een banier over den schouder;
op zilver een zwarte dwarsbalk beladen met drie schelpen.

     In de kerk zijn twee geschilderde vensters:

I. De wapens Gevers en Deutz van Assendelft.
     Endegeest (op zwart een zilveren leeuw) en Oegstgeest (op
goud een rood ankerkruis).
     Ben afbeelding van het kasteel Endegeest en:
     Gift van Gevers van Endegeest en Zijne Vrouw M.J. Deutz
van Assendelft anno 1875.

II. Dit raam is in 1948 gerestaureerd. Niet alleen zijn de
oude wapens herstel, maar bovendien zijn vijf nieuwe wapens
aangebracht, terwijl een, dat van Paul du Rieu daaruit ver-
dwenen is.
     Na de aankoop in 1615 van de heerlijkheid Oegstgeest door
Leiden werd de burgemeester aangewezen als “sterfman” als
vertegenwoordiger van de stad aan wie dan de verschuldigde rech-
ten betaald moesten worden.
     Zo werd Jacob Willemsz. Verboom, Burgemeester van Leiden,
wiens wapen in het raam voorkomt, in 1630 als eerste aangewe-
zen ale sterfman voor de heerlijkheid Oegstgeest, of zoals het
officieel heette werd in 1630 de heerlijkheid verheven op
Verboom als sterfman. Na hem volgden als sterfmannen achtereen-
volgens, tot dat bij artikel 24 van de Staatsregeling van
1798 de heerlijke rechten vervielen: Huijck Pietersz Codyck,
5 November 1634,
     Johan Rippers van Groenendijck, 11 Juni 1640;
     Claas van der Meer, 28 Februari 1650;
     Johan Pietersz van der Maarsche, 25 Januari 1655;
     Cornelis Anthonisz. van Buytevest, 27 October 1664;
     Mr. Paulus van Swanenburg, 8 September 1667;
     Jacob van der Maas, 14 Mei 1674;
     Mr. Abraham van Alphen, 7 Maart 1696;
     Mr. Karel Crucius, 14 November 1721;
     Mr. Nicolaas de Bije, 3 November 1728;
     Mr. Nicolaas Willemss. van Leeuwen, 21 April 1763.

– 25. –
  
     Deze waren allen Burgemeester van Leiden, daar zich echter
nadien geen der zittende Burgemeesters beschikbaar stelden,
werden vervolgens als sterfman aangewezen de veertig raden:
     Mr. Nicolaas van Leeuwen, 24 April 1764, en als laatste:
Mr. Hugo Jacobsz. de Wildt, 1788.
     De raad van veertigen, bestaande uit veertig mannen, oud-
magistraten, was, o.m. belast met het opstellen van voordrach-
ten voor belangrijke ambten, terwijl het ook de sterfmannen
benoemde.
     In het wapenraam komen nu de wapens van deze personen
voor. Dat het wapen van Paul du Rieu, die nimmer “sterfman”
is geweest, hier niet op thuis hoorde, is duidelijk.

     Voorts de wapens:
     Dan. Theod.Gevers van Endegeest 1873. Jac Marg
Deutz van Assendelft 1873. Endegeest en Oegstgeest.

     Op een marmeren steen in de muur:
     Der vrouw van Endegeest door liefde en trouw gewijd, haar godsvrucht, geest en deugd zijn boven graf en tijd, M.E. Gevers van Endegeest geb. de Leeuw overleden 10 November
1823 oud 50 jaren.

     Op een heerenbank ziet men het jaartal CIDIDCLXXXIX
en de wapens:
1. Leiden.
2. Joh. van den Borgh (op zilver drie roode ruiten, 2 en 1).
3. Mr. Theod. Schrevelius (drie haken, 2 en 1).
4. Dr. Johan van der Marek (vgl. het venster op het koor).
5. Mr. Coenraedt Ruys (twee toegewende klimmende bokken, in de
voorpooten een schildje houdende, beladen met een kruis,
boven het schildje een roos).

– 26. –
 
 
HOOFDSTUK IV.
– – – – – – –
 
DE REGERINGSBANK IN HET GROENE KERKJE.
– – – – – – – – – – – – – – – – – – –
 
 
     Op 22 Januari 1814 overleed in de gemeente Oegstgeest
Abraham Bubbezon, oud 79 jaren van beroep schoenmaker, ge-
boren en gewoond hebbende binnen deze gemeente in het huis
no. 69, gelegen bij de Vijf huizen (Leidse Buurt).
     Bij testament van 29 Mei 1808 had deze persoon, behoudens
een legaat, tot zijn enige erfgename benoemd “de Gereformeerde
Kerk van Oegstgeest en Poelgeest”.
     Daarbij was echter één voorwaarde gesteld, namelijk dat:

     “Kerkmeesteren indertijd, verpligt en gehouden zouden
zijn om aan den Bailliuw, Schout en Secretaris, mitsgaders
de Leden van het Gemeente Bestuur, en aan Schepenen van Oegst-
geest en Poelgeest meergemeld inofficio, of aan diegeenen,
welke hun in die betrekking, onder welke benaming ook, in der
tijd zouden opvolgen of vervangen, ten Eeuwigen dage te
geven en te vergunnen, niet alleen de Vrije Zitting in de
Banken door Kerkmeestere in den Jare Achttienhonderd en Zeven,
uit den Boedel van Vrouwe Alida Jacoba van Heeckeren, Gebore
van Westrenen aangekocht, mitsgaders van de Bank, welke voor de
verdere Leden der Regeering toen reeds was geappropieerd,
maar ook te zorgen, dat de voorschreven Banken altijd van de
noodige Kussens en Gordijnen zijn voorzien, en dat voor ieder
Lid een Bijbel en Gezangboek in de gemelde Banken voorhanden
is, mitsgaders, dat de gemelde Bailiuw, Schout en Secretaris,
gelijk ook het Gemeente Bestuur en Schepenen, of diegeenen
welken hun in de voorschreve betrekking, onder welke benaming
ook, in der tijd zouden opvolgen of vervangen, van het noodige
Vuur in de Stoven worden voorzien, zonder voor dit alles, iets
hoe ook genaamd, te mogen vorderen, met verdere bepaling,
dat Kerkmeesteren in der tijd, nimmer zouden vermogen eenige
Zitplaats of plaatsen in de voorschreve Banken, aan anderen
te Verhuren, of op eenigerhande wijze af te staan”.

     Het motief tot deze merkwaardige testamentaire bepaling
is wel zeer vermeldenswaard. Het was namelijk “de Serieuse wil
en begeerte” van den testateur, dat zij dit vrije en kosteloze
gebruik zouden hebben “voor de moeite aan de waarneming hunner
posten verbonden.”
     Kerkmeesteren moesten binnen drie maanden verklaren of
zij de testamentaire aanvaardden, wat zij op 12 April 1814
voor notaris Thomas van Bergen, te Leiden, deden.
     Waren Kerkmeesteren in gebreke gebleven, dan zouden
Heilige Geest Armmeesteren en Diaconie-Armmeesteren uitgeno-
digd worden de nalatenschap te aanvaarden, onder voorwaarde,
dat deze “ten eeuwigen dage” de kosten verbonden aan de zit-
plaatsen van de genoemde Regeringspersonen zouden moeten beta-
len.
     De rekening en verantwoording van de boedel wijst aan,
dat er aan ontvangst was een bedrag van f. 2103.12.14
(2103 gulden, twaalf stuivers en veertien penningen.)

– 27. –
 
 
     De uitgaaf bedroeg 1369 gulden, 14 stuivers en tien
penningen, zodat er een overschot was van f. 733.18.4.
     Verder waren er nog een Gouden Rijder, een Gouden
Scheepjes Schelling en een Zilveren Duit, en aan obligaties
en schuldbekentenissen een bedrag van f. 2625,
     Dit alles werd op 23 November 1815 ter hand gesteld
aan de gemachtigden van den Percepteur der directe belastin-
gen.
     Schijnbaar moest er nog een ander af, want uit
de “Rekening van ontvang en uitgaaf, van de nalatenschap van
Abraham Bubbezon, gehouden door A. van Wetering over de jaren
1816,1817,1818 en 1919 tot den laatsten July 1820, in kwali-
teit als administrerend Kerkmeester van de Gereformeerde ge-
meente te Oegstgeest” blijkt, dat het “goede slot van Heeren
Executeuren” bedroeg f. 589.5.3.
     De gehele ontvang bedroeg over die periode f. 1079.4.14
en de gehele uitgaaf f. 832.2.8, zodat in kas bleef een
bedrag van f. 247.2.6.
     Ook het kapitaal vermeldt slechts een bedrag van f=1600,-.
Verdere stukken, die hierover meer inlichtingen verschaffen,
bevinden zich niet in het gemeentearchief.
     De achterste bank onmiddellijk links van de preekstoel
is indertijd voor Regeringsbank bestemd geweest.
     Voor het onderhoud van deze bank werd door Kerkvoogden
Jaarlijks een bedrag van f. 2,– uitgetrokken.
     
     – – – – – –