Het aantikken van de hamer:
 
Groene of Willibrordkerk:
 
Pauluskerk:
 
 
 

De luidklok van de Groene of Willibrordkerk te Oegstgeest –

Verslag van een kennismaking –

Marnix Smit

 
 
Inleiding

In de maanden juni en juli 2020 vond groot onderhoud plaats aan de torenspits van de Groene of Willibrordkerk. Na overleg met en op verzoek van het College van Kerkrentmeesters nam ik die gelegenheid te baat om eens een kijkje te nemen. Ik heb aan de Nederlandse Beiaardschool de opleiding tot beiaardier doorlopen en was van medio 1985 tot medio 1990 werkzaam als beiaardier van de stad Wageningen. Eens kijken of ik de kennis van klokken, die ik toen ik geschoold werd had opgedaan, ook in dit geval zou kunnen toepassen.
Gedurende de hele periode dat ik onderzoek deed, werd ik geholpen door anderen. Dit vormde voor mij een extra beloning voor het onderzoekswerk. Mijn dank gaat uit naar een ieder van hen.
 

Het eerste contact

Toen ik de trap in de toren besteeg, richting klokkenkamer, was ik benieuwd of er iets te doen zou zijn aan de klank van de klok. Soms is het mogelijk een door slijtage afgevlakte klepel bij te schuren of kan, als slijtage aan de slagring er aanleiding toe geeft, de klok een kwart slag worden gedraaid. Deze laatste optie verviel toen ik moest vaststellen dat de klepel scharnierend was opgehangen. Ik sloeg de klok aan met de punt van een hamer, opdat er zoveel mogelijk boventonen zouden vrijkomen. Dit gaf geen verbetering van de klank. Hierop maakte ik geluidsopnamen, die ik vervolgens toestuurde aan Klokkengieterij Koninklijke Eijsbouts te Asten. Ik citeer uit het antwoord: “….. de klok klinkt niet zuiver ….. wij denken dat het niet mogelijk is de klok beter te laten klinken zonder dat ze gestemd wordt en stemmen is bij een historische klok natuurlijk uit den boze”. Verlangend naar verdieping van mijn eigen kennis omtrent goed en kwaad stak ik mijn licht op bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Deze stelt dat het stemmen van historische klokken feitelijk niet gewenst is en in ieder geval vergunningplichtig.
 

1734 AMSTELREDAMIA ME FECIT

Op zoek naar de historie van de klok werden de archieven die deel uitmaken van het archief van de gemeente Oegstgeest geraadpleegd. Het lukte helaas niet om de bon van de aankoop te vinden.
Jammer, want deze had ons kunnen vertellen wie de gieter was. Ook had het een aanwijzing kunnen geven hoe lang de klok al in de toren van de Groene Kerk hangt.
De oudste mij bekende vermelding van de klok vond ik in een artikel uit 1908 van de hand van de heer J.B. van Loenen. Hij schrijft: ”In het torentje hangt een luid klokje, met goed gemodelleerde bladmotieven en arabesken versierd, van 0,48 M. hoogte, met de kroon, 0,49 M middellijn beneden, met het zonderlinge opschrift: AMSTELREDAMIA ME FECIT 1734”. Terecht spreekt hij hier van een “zonderling” opschrift, want “Amstelredamia” was geen klokkengieter. Het is evenmin een plaatsaanduiding. Als er bij het maken van een randschrift wordt gekozen voor het gebruik van Latijn bij het vermelden de naam van de plaats waar de klok is gegoten, wordt er steevast gebruik gemaakt van de locativus, dat is de naamval met betrekking van plaats. Voor Amsterdam wordt dat “Amstelodami”, de locativus van het onzijdige “Amstelodamum”. Het geslacht van het woord “Amstelredamia” is vrouwelijk. Zo letterlijk mogelijk vertaald luidt het randschrift: Amstelredamia heeft mij gemaakt. Om uit te vinden wie of wat zij was of is ga ik in het navolgende in vogelvlucht te rade bij de geschiedenis van de Amsterdamse Stads Klok- en Geschutgieterij.
 

De gebroeders Hemony, een periode van glorie

Franςois (ca 1609-1667) en Pierre (1619-1680) Hemony hadden zich in 1642 als klokkengieters te Zutphen gevestigd. Onder supervisie van de beiaardier en fluitist Jonkheer Jacob van Eyck (ca 15901657) hadden zij de kunst van het stemmen van klokken tot in de puntjes onder de knie gekregen. Hun klokken waren zo zuiver gestemd dat deze behalve als luidklok ook dienst konden doen als onderdeel van een beiaard. Na succesvolle leveranties aan Zutphen (1644-1646) en Deventer (1647) goten zij beiaarden voor diverse andere steden. In 1655 werd Franςois uitgenodigd om zich in Amsterdam te vestigen als klok- en geschutgieter. Pierre zou zich in 1664 bij hem voegen. Franςois heeft bijgedragen aan de stedentrots van de stad Amsterdam door beiaarden te leveren voor de Zuiderkerk, de Oude Kerk, de Westerkerk, het Stadhuis (thans Paleis op de Dam) en voor de Regulierstoren (de huidige Munttoren). In de jaren na het overlijden van Pierre Hemony (1680) gaat er voor de Stads Klok- en Geschutgieterij het nodige veranderen. Ik kom daar op terug na een intermezzo over de kunst van het stemmen van een klok.
 

Een klok stemmen, hoe en waarom?

Jhr. Jacob van Eyck had gesteld dat bij het stemmen van een klok naast de grondtoon nog vier boventonen moesten worden gestemd. Dit komt zowel aan de welluidendheid als aan de uitklinktijd ten goede en geldt daarom zowel voor beiaardklokken als voor luidklokken. Een belangrijke en voor klokken kenmerkende boventoon is de kleine terts. Wie gericht luistert naar een goed gestemde klok hoort dan een mineur drieklank met de slagtoon als grondtoon. De uitklinktijd en het volume van de diverse boventonen bepalen het timbre van een klok.

Om een klok te kunnen stemmen werd deze ondersteboven op een draaitafel geplaatst. Deze werd vervolgens zo snel mogelijk rond gedraaid. Tijdens het ronddraaien werd aan de binnenkant van de klok een beitel tegen de wand gehouden om materiaal weg te nemen uit de wand van de klok op de plaats waar de te stemmen boventoon moest worden gestemd. In de werkplaats lag een klankstaaf klaar, die was bestrooid met fijn zand. Op het moment dat de boventoon op de juiste hoogte was gestemd, ging deze klankstaaf meetrillen. Dit werd zichtbaar gemaakt door het zand op de klankstaaf, dat zich op dat moment organiseerde in “knopen” en “buiken”. Tijd om de bijtel van de klokwand te halen.

Ten behoeve van een webversie van dit artikel heb ik geluidsopnames gemaakt van de klok van de Groene of Willibrordkerk en van de klok van de Pauluskerk aan de Warmonderweg te Oegstgeest. De luidklok van de Pauluskerk is in 1662 gegoten door Franςois Hemony. De klokken verschillen in grootte en gewicht. De klokken zijn daarom niet één op één vergelijkbaar. Het beluisteren van de geluidsbestanden kan wel helpen om een indruk te krijgen van wat stemmen voor de klank van een klok kan doen. Nóg beter is het misschien om ter plekke te luisteren als de klok van de Groene Kerk luidt, en een keer bij de Pauluskerk te luisteren als de uurslag klinkt. Wie de uurslag van een klok van Pieter Hemony wil beluisteren kan terecht bij de Zijlpoort in Leiden. Deze klok is gegoten in 1668. In de nabijheid van de poort ligt – net als bij onze Groene Kerk – een begraafplaats.
 

De Amsterdamse Klok- en Geschutgieterij in het jaar 1734

Vergeleken met de omstandigheden in het jaar 1680 heeft de gieterij in 1734 te maken met een andere verhouding tot de vroedschap van de stad Amsterdam. Zo was er ingaande het jaar 1681 de verplichting gekomen om aan de stad Amsterdam jaarlijks 600 gulden te betalen voor de huur van woon- en werkruimte behorend bij de gieterij. Ook in 1734 bedroeg deze huur 600 gulden per jaar, maar op 2 september 1734 werd de gieterij met ingang van 1 mei 1735 voor 900 gulden per jaar verhuurd aan Cyprianus Crans.

De kwaliteit van de afgeleverde werken was aanleiding geweest tot klachten. Zo was bij voorbeeld in 1886 een carillon, dat was besteld voor de Waagtoren te Alkmaar, door de keurende musici afgekeurd. Feiten als deze deden afbreuk aan de goede naam van het bedrijf. Zo staat er in de Oprechte Haerlemsche Courant van 22 maart 1712 een advertentie van de gieterij waarin gewaarschuwd wordt dat “van baetsoeckende is uytgestroyt, als dat de Konst van Klockspel maken t’ Amsterdam was uytgestorven, en niet meer aldaer gemaeckt werden; maer dat sulcks onwaer is, kan dagelijcks van de Heeren liefhebbers gesien en gehoort werden”.

Een minder gunstige omstandigheid voor het bedrijf zal ook zijn geweest dat er een zekere verzadiging van de markt was opgetreden. Klokken en klokkenspellen gaan nu eenmaal lang mee. Van Cyprianus Crans weten we dat hij geen beiaarden heeft gemaakt. Wel goot hij luidklokken en geschut.
 

Amstelredamia als beeld

Ik veronderstel nu, dat het randschrift “AMSTELREDAMIA ME FECIT 1734” onderdeel is van een poging om de beeldvorming betreffende het bedrijf in gunstige zin te beïnvloeden. Amstelredamia staat dan voor de Stedemaagd als zinnebeeld van de glorie van de stad Amsterdam. Door naar haar te verwijzen wordt de aandacht afgeleid van de glorie van het bedrijf, die immers was getaand.

Een tastbare verschijning van de Stedemaagd, in 1655 vervaardigd door Quellinus, kan men aanschouwen in de Burgerzaal van het Paleis op de Dam, tot 1808 het stadhuis van de stad Amsterdam. Heel de wereld ligt er aan haar voeten.
 

Een geleend bonnetje

In 1729 overleed Jan Albert de Grave, de toenmalige huurder van de Stads Klok- en geschutgieterij. Zijn weduwe, Anna Margareta Dralle, erfde van hem het huurcontract van de gieterij. Dit contract was op 25 november 1728 verlengd voor een periode van zes jaar. Dit zou ingaan op 1 mei 1729 en eindigen op 1 mei 1735. Met de hulp van Pieter Gudeborn en Nicolaas Muller zette zij het bedrijf voort. De naam van Nicolaas Muller komen we in meerdere randschriften op klokken tegen. De naam van Pieter Gudeborn treffen we, tezamen met die van Nicolaas Muller, aan op nota’s en in advertenties van de gieterij, doch niet op klokken. Dit brengt me tot de aanname, dat Nicolaas Muller in het bedrijf het gieten van klokken voor zijn rekening heeft genomen.

Een zoektocht op het internet, met het randschrift van de klok als zoekterm leverde diverse treffers op. Enkele daarvan in een aan mij onbekende Aziatische taal, voorts een verwijzing naar een scheepsklok, naar twee klokken in het Norsk Folkemuseum (ref. FB2001-00350 en NF 19140394) en tot slot – via Buurtkrant De Put in de Oude Morsch – een verwijzing naar de “Schapenbel” op de Beestenmarkt te Leiden. De “Schapenbel” heeft dus een randschrift dat identiek is aan dat van de luidklok van de Groene of Willibrordkerk te Oegstgeest. De Schapenbel werd vroeger zowel bij het openen als het sluiten van de schapenmarkt geluid. In het artikel in de buurtkrant werd melding gemaakt van een bewijs van aankoop dat zich zou bevinden in het Regionaal Archief van Leiden en Omstreken. Medewerkers van het archief slaagden er na een speciale opsporingsactie in om de toegangs- en inventarisnummers te achterhalen van dat deel van het archief, waarin de nota van de Schapenbel zich bevindt. Deze nota d.d. 4 augustus 1734 namens Pieter Gudeborn en Nicolaas Muller werd op 26 augustus in Amsterdam voldaan door Jacob van der Cloese in opdracht van de heer Nicolaas Bije als thesaurier extraordinair der Stad Leijden.

Het lijkt dus alleszins aannemelijk dat de luidklok van de Groene of Willibrordkerk te Oegstgeest is gegoten door Nicolaas Muller in de Amsterdamse Stads Klok- en Geschutgieterij.
 

Een ontvoering en een logeerpartij

Aan het koper, dat voor 80% deel uitmaakt van klokkenbrons, is behoefte bij het maken van wapens. Eind jaren ‘30 van de vorige eeuw werden door de overheid van Nederland voorbereidingen getroffen om zo nodig klokken te vorderen ten behoeve van de bewapening van het Nederlandse leger. Voordat het zover kon komen was Nederland echter al door het Duitse leger bezet. Duitsland had een tekort aan koper en ging daarom, zowel in Nederland als in Duitsland zelf, over tot het vorderen van klokken. Van Nederlandse zijde werden pogingen gedaan om zo veel mogelijk klokken te behouden. Nog kort voor de inval waren zogenaamde M-klokken aangewezen, klokken die vanwege hun grote historische waarde van vordering dienden te worden vrijgesteld. Het merendeel van de M-klokken heeft de oorlog overleefd. De klokken die waren gevorderd en waren “uitgenomen” werden ingedeeld in drie groepen. De A-groep bevatte klokken zonder historische betekenis, die zonder meer naar Duitsland zouden kunnen worden afgevoerd. De klokken van de Bgroep vertegenwoordigden weliswaar een zekere kunstwaarde, maar zouden moeten worden afgestaan om het door de Duitsers geëiste percentage enigszins te bereiken. In de C-groep werden klokken ingedeeld, die naast de gespaarde M-klokken zoveel waarde hadden, dat hun transport naar Duitsland zo lang mogelijk diende te worden uitgesteld. De klok van de Groene Kerk is een C-klok geweest. Afgesproken werd dat deze C-klokken zouden worden nachgeprüft door een Duitse deskundige, die daarvoor speciaal naar Nederland zou komen. Deze deskundige zou dan dezelfde selectiecriteria hanteren als welke in Duitsland werden toegepast. Indeling als P klok betekende uitstel en wellicht ook afstel van het afvoeren van de klok richting metaalsmelterij. Na de Prüfung zou worden besloten of ze geschützt of eingeschmolzen zouden worden. De P, die op de foto zichtbaar is, vertelt ons dat de klok van de Groene Kerk werd ingedeeld als P-klok.

Begin maart 1943 kwam evenwel een afspraak met de bezetter tot stand dat C- klokken met een gewicht van minder dan 150 kg behouden zouden blijven. Zij zouden dienst gaan doen als alarmklok voor woonplaatsen waar de torens van hun klokken waren ontdaan. Bij dreiging van een luchtaanval zou de bevolking door het luiden van de alarmklok kunnen worden gewaarschuwd. Op 21 juli 1943 is de klok van de Groene Kerk “uitgenomen” en gemerkt 11-154 C. Hierbij is 11 het nummer van de provincie Zuid-Holland. Het getal 154 geeft aan dat het 154e klok is die in Zuid-Holland werd “uitgenomen”. De diameter werd vastgesteld op 49 cm en het gewicht op 68 kg. De klok werd vervolgens overgebracht naar een verzamelplaats: Lager Rotterdam. In het najaar van 1943 werd met een zekere regelmaat het vliegveld Schiphol gebombardeerd door geallieerde bommenwerpers. Op 3 oktober 1943 vond er op klaarlichte dag een luchtgevecht plaats en kwamen er zeven bommen neer aan de rand van het nabij Schiphol gelegen dorp Nieuwveen. In Nieuwveen waren op 3 augustus 1943 de klokken van zowel de Hervormde als de Katholieke kerk weggehaald. Daarmee ontbeerde de gemeentelijke overheid een mogelijkheid om in geval van een calamiteit alarm te slaan. Het feit dat er op 3 oktober geen mensen of dieren waren getroffen, werd gezien als een wonder. Bij de bezetter werd daarom door de burgemeester van Nieuwveen aangedrongen om de gemeentetoren – dit is de toren van de Hervormde Kerk- te voorzien van een alarmklok. Zo werd op 8 oktober 1943 de luidklok van de Groene Kerk opgehaald uit Lager Rotterdam en vervolgens ingehangen in Nieuwveen als alarmklok. Aan de lip van de klok zijn beschadigingen te zien, die de klok moet hebben opgelopen tijdens vervoer. Na de oorlog zijn geroofde klokken, voor zover zij niet werden teruggevonden, vervangen door nieuwe. De Groene of Willibrordkerk kreeg eind 1945 haar oorspronkelijke klok terug.
 

Tot besluit

Omdat de klok waarschijnlijk niet gestemd mag worden is de meest voor de hand liggende optie, die tot een fraaier geluid kan leiden, het vervangen van de klok door een gestemde klok. Mocht worden overwogen hiertoe over te gaan, dan zal vooronderzoek nodig zijn naar de vraag wat er mogelijk is gelet op de ruimte in de spits en gelet op de belastbaarheid van de constructie van de toren. Rekening zal hierbij moeten worden gehouden met de retractiekrachten, die kunnen optreden tijdens het luiden. Voor de huidige –historische- luidklok zal in goed overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een passende bestemming moeten worden gezocht, bij voorkeur in een museum, want al zingt de klok niet zuiver, ze heeft wel wat te vertellen.

Oegstgeest, september 2021
Marnix Smit
 

Literatuur:

-Buurtkrant De Put in de Oude Morsch 12 (april 2008) 45 8-11
“Beestenmarkt krijgt zijn Schapenbel terug”. (via internet)

-Bijtelaar, B., De Zingende Torens van Amsterdam (Amsterdam 1947)

-De Schakel, Nieuwsblad van de Rijnstreek, 26 november 1945, 2 (www.gemeentearchiefalphenaandenrijn.nl)

-Lehr, André, Van Paardebel tot Speelklok (2e herziene druk; Zaltbommel 1981)

-Loenen, J.B. van, Hervormde kerk te Oegstgeest (Leiden 1908, archief van de Vereniging Oud Oegstgeest, www.oudoegstgeest.nl).

-Lugt, Freek, Waar? Of niet waar? De luidklok van de Pauluskerk. Tijdschrift “Over Oegstgeest” 23 (mei 2011) 28-29.

-Meilink-Hoedemaker, Laura, “De Amsterdamse Klokkengieterij onder Fremy 1681-1699” in Klok en Klepel, (tijdschrift van de Nederlandse Klokkenspel-Vereniging) 121 (januari 2015) 9-21.

-Meilink-Hoedemaker, Laura, “De Amsterdamse klokkengieterij onder Jan Albert de Grave 1699 tot 1729” in: Klok en Klepel, (tijdschrift van de Nederlandse Klokkenspel-Vereniging) 115 (december 2011) 14-18.

-Nieuwenhoven, H.J. van, Klokkenvordering 1942-1943, 2 delen (Huizen 1996)

-Restauratie en beheer “Luidklokken en beiaarden”, (2001 brochure van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, archief van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, www.cultureelerfgoed.nl)

-Weel, Heleen B. van der, Franςois en Pieter Hemony. Stadsklokken- en geschutgieters in de Gouden Eeuw (Hilversum 2018).

Archivalia:

NIOD Inv. nr. 177 Meulenberg, P.J. 1940-1944. Nrs. 36, 55 en 95

RAL Toegangsnr. 0501A. Inv. Nr. 8846

SAA Toegangsnr. 5039. Resoluties van de Tresorier, 25 november 1728 en 2 september 1734


Het “bonnetje” van de Schapenbel