Na de gebeden gaan we staan voor het zingen van ons slotlied. Dan spreekt de predikant de zegen uit.
Zegenen betekent: iemand het goede toezeggen, met de kracht waardoor de wens ook werkelijkheid wordt (bene dicere = het goede toezeggen, benedictus = gezegend).
Voor de zegen zijn diverse bewoordingen mogelijk. Er is de klassieke priesterzegen uit Numeri 6,24-26 ‘Moge de Here u zegenen en behoeden / beschermen…’ of een zegenwens van Paulus (II Korintiërs 13,13): ‘De Genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de eenheid met de heilige Geest zij met jullie allemaal’. Er zijn veel klassieke en eigentijdse verwoordigen van de zegen.
De predikant die de zegen uitspreekt, maakt met zijn of haar handen een zegenend gebaar. Bijvoorbeeld om uit te drukken dat de zegen over ons wordt uitgesproken, of vooral doorgegeven (gespreide vingers laten de zegen van God door…) of dat de zegen in de naam van God wordt gegeven.
En als God zo spreekt, is ons antwoord: ‘Amen’, laat het zo zijn! Dat wij door God gezegend worden en dat wij elkaar en anderen tot een zegen zijn.