Naast het kalenderjaar kennen we in de kerk het ‘kerkelijk jaar’. Dat loopt van advent, de voorbereiding op het kerstfeest, via veertig dagen voorbereiding op Pasen naar het paasfeest als hart van het christelijke geloof.
Vijftig dagen daarna komen we via Hemelvaart bij Pinksteren en dan volgt een periode zonder christelijke feesten tot de laatste zondagen van het kerkelijk jaar in november.

Tijdens de verschillende periodes drukken de kleuren in de kerk iets uit van de beleving van het geloof en de liturgie in zo’n periode. Het kleed over de tafel, het antependium dat voor de kansel hangt, de leeslinten en de stola, die de predikant draagt over haar of zijn toga zijn in de ‘liturgische kleur’ die het karakter van een periode of een bepaalde zondag onderstreept.

Wit, de kleur van feest, licht en reinheid, hoort bij de kersttijd, Witte Donderdag, de paastijd en bij Allerheiligen. In de PGO gedenken we de overledenen elk jaar op de zondag die het dichtst bij Allerheiligen ligt.

Paars, de kleur van inkeer en bezinning, ook op de donkere kanten van het leven, hoort bij de veertigdagentijd voor Pasen en bij de zondagen van Advent.

Roze ontstaat door het licht dat midden in de donkere tijden door het paars heen schemert en wordt gebruikt op zondag Laetare (middelste in de veertigdagentijd) en zondag Gaudete (derde zondag in de advent).

Rood, de kleur van vuur, verwijst naar de heilige Geest. Rood wordt gebruikt op Pinksteren en bij de bevestiging van ouderlingen, diakenen en predikanten.

Groen is voor de perioden tussen de ‘feesttijden’ door en symboliseert de hoop op Gods nieuwe wereld.