De ouderling heet de gemeente welkom. Zij of hij is verantwoordelijk voor een goed verloop van de dienst waarin we samen iets van ons geloof in God kunnen ervaren.
Er zijn een paar praktische mededelingen. Bijvoorbeeld wie na de dienst de bloemen krijgt die in de kerk staan. Soms is dat een zieke, een andere keer zijn dat jubilarissen.
Daarna steekt de ouderling de tafelkaarsen en het kaarsje in de lantaarn voor de kindernevendienst aan met het licht van de paaskaars. Daarbij zegt hij of zij iets over de betekenis van het licht.
Er zijn veel lagen van betekenis, zoals bij ieder symbool (denk aan emoji; een symbool kan meerdere betekenissen hebben, maar wie hem krijgt begrijpt wel wat degene die de emoji stuurt, wil zeggen).
De dominee krijgt een hand van de ouderling. Dat is een uitnodiging om voor te gaan in de liturgie die onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad wordt gevierd.
De predikant draagt meestal een toga, een gebedsmantel. Daarmee wordt ook iets van de bijzonder positie van de dominee in de dienst uitgedrukt. Zij of hij krijgt de rol van een soort ’tussenpersoon’ tussen God en de kerkgangers. Over de toga draagt de voorganger een stola in de kleur van de tijd van het kerkelijk jaar.
Het kleed over de tafel en voor de kansel hebben dezelfde kleur.
De dominee begroet de gemeente en zegt haar toe dat God bij haar zal zijn. De gemeente wenst dat ook de voorganger toe. In samenspraak vertrouwen we elkaar toe aan God als de bron van ons leven. Daar putten we moed uit. Dan bidt de predikant in een ‘gebed van toenadering’ om een echte ontmoeting met God, die ons persoonlijk en samen zal raken.